Niet de zieke, maar de verzorger heeft zorg nodig

Over de aantijging dat hij een ‘acteur, een charlatan, een clown en een komediant’ zou zijn, zei een onzer Grote Drie op zeker moment: ‘En tegen die mensen zou ik willen zeggen: ja, dat is waar: ik ben een acteur, ik ben een charlatan, een clown, en een komediant. Maar het krankzinnige is, is dat de rol die ik speel, dat ik dat bén.’

De huisvriend, het debuut van de Haarlemse boekhandelaar Bertram Koeleman (1979), leunt in niets op wie van de Grote Drie dan ook, veel vaker denk je zelfs een vertaalde Amerikaanse roman te lezen, en toch is bovenstaand citaat er op van toepassing. Een rol spelen en dat zo lang volhouden dat je denkt dat je het bent: het is het hoofdpersonage Jonas Balsam ten voeten uit.

Balsams werk, en daarmee zijn leven, bestaat uit het beheren van een huis op een geïsoleerd Amerikaans landgoed. Al twintig jaar bestaat zijn taak uit het verzorgen van Benjamin Krendler, een weinig mededeelzame thuiszitter. Voor zover de lezer het kan bepalen is Balsam voor Krendler niet méér dan een butler: formeel en efficiënt, maar geen vriend of vleesgeworden geestelijke verrijking.

Tot Balsams lichte ongemak moet af en toe een zogenoemde ‘huisvriend’ worden aangesteld: een persoon van enig intellectueel elan die Krendlers leemte kan opvullen.

Zo’n nieuwe huisvriend brengt de tandem Krendler-Balsam vervolgens dusdanig aan het wankelen dat de lezer hetzelfde idee bekruipt als bij het lezen van sommige romans van Esther Gerritsen: het is niet zozeer de ‘zieke’ (Krendler) die zorg nodig heeft, maar de verzorger (Balsam).

De huisvriend weet de aandacht van de lezer knap vast te houden. Koeleman schakelt in tijd en ruimte en durft zijn vertelling nu en dan te abstraheren zonder in gewauwel te vervallen. Daarnaast is het boek een geschenk van een lezer voor een lezer: behalve de meer in het oog springende vingerwijzingen in de richting van Kazuo Ishiguro’s The Remains of the Day en Donna Tartts The Little Friend klinken er stemmen in door van de doem-achtige gothic novel, van Paul Auster en een handjevol andere, vooral Amerikaanse schrijvers.

De sfeer is te vergelijken met een film van David Lynch, met Balsam als een man in wie een grote ontevredenheid huist, maar daar geen aanleiding in ziet om zijn keurig verzorgde middenscheiding te veronachtzamen.

Dat Koeleman goed getraind aan zijn debuut is begonnen is vooral aan de compositie en het vasthouden van spanning af te zien. Aan de andere kant wordt het zo breekbare verbond tussen boek en lezer nog net iets te vaak verbroken door die eerdergenoemde ‘vertaalkwestie’: wilde dit boek wel in een Nederlands jasje, of toch liever in een Amerikaans jasje de straat op? ‘We worden er niet jonger op.’ Of: ‘ „Idioot,” zei ik. „Jij ontzettende idioot.”’ Het is ook te zien aan de wijze waarop de woorden in een zin in het gelid staan: in het Engels bedacht, maar in het Nederlands opgeschreven. Dat levert vooralsnog niet het maximale effect op.

Sebastiaan Kort

    • Sebastiaan Kort