Munro: kalm en verwoestend

Gisteren ging de Nobelprijs voor Literatuur naar de Canadese Alice Munro, ‘de meester van het hedendaagse korte verhaal’. Manon Uphoff legt uit hoe terecht dat is. Marjoleine de Vos las haar vorige maand verschenen verhalenbundel.

Munro Books in Victoria (Canada) feliciteert Munro met de Nobelprijs. De winkel wordt gerund door Munro’s ex-man Foto Andy Clark/ Reuters

‘Ik hou niet van korte verhalen’. Hoe vaak hebben verhalenschrijvers dat liedje al niet moeten horen? De hele literatuur is nota bene begonnen met verhalen. Het is of iemand zegt: ‘Ik heb het niet zo op zuurstof.’ Maar nu is er dan de Nobelprijs voor de ‘betrekkelijk onbekende’ Alice Munro, 82 jaar.

Wat maakt haar werk zo bijzonder? Waardoor hebben haar verhalen – die nooit uitdijden tot een roman, hoewel ze in de loop der jaren aan lengte wonnen en soms de omvang kregen van een novelle – zo’n overweldigende kracht? Wat maakt ze tot levensveranderende of in ieder geval lezersveranderende ervaringen, vol van ‘huiselijke horror’ zoals critica Marja Pruis schreef.

Ik begon relatief laat aan het werk van Munro, maar besefte meteen dat ik niet meer zonder kon, dat haar verhalen op de meest overtuigende manier de verhalen waren die ik had gemist.

Kalm en verwoestend is de omschrijving die het eerst bij me opkomt. Verhalen die me van mijn sokken bliezen en me net zo raakten als eerder die van Truman Capote en Flannery O’Connor. Vanzelfsprekend werden ze bevolkt door vrouwen, zonder dat vrouw-zijn tot thema werd verheven. Jonge, oude, moeders en dochters, buurvrouwen, weglopers en terugkeerders: allemaal persoonlijkheden die nooit in de categorie ‘lief, zacht en aardig’ zouden vallen.

Verhalen: ze zijn rijk aan details, vol verknopingen, tijd en ruimte overschrijdende verbindingen en vertakkingen en open plekken (waar de roman misschien huiveriger voor is). Gevuld met de complexe, dwarse karakters van mensen die echte levens leefden buiten de Literatuur. Deze verhalen bieden gelaagde werelden die weigeren je te wiegen of te amuseren. Ze geven je de taal en rijkdom van woorden terug; hele passages voor verlorenheid, schoonheid, het tragische, het ellendige en het wonderbaarlijke. Dat gebeurt steeds met een merkwaardige mengeling van distantie, onthechtheid en een bijna genadeloze empathie. Zelfs in brutaliteit, in chaos, in de harde gebeurtenissen, in tragedie, is er een notie van, ja, wat? Sereniteit waarschijnlijk.

Nee, bij Munro geen voorgevormd beeld van de wereld, maar een aandachtige, zorgvuldige en daardoor bijna wreed aandoende verkenning van de levens van haar personages. Neem de moeder in het schrijnende verhaal ‘Stilte’ (uit Runaway) die alle contact met haar dochter kwijt is. De dochter die ver van haar, of misschien wel dichtbij, het leven van een vreemde leidt. Munro probeert je niet te overtuigen met een wereldomspannend idee. Haar verhalen zijn geen instrument, geen vingeroefening voor het grote, echte werk. Bij haar is die wereld, het verhaal zelf de betekenis, het doel. Het lezen ervan wordt door Jonathan Franzen in het voorwoord bij Runaway (in het Nederlands verschenen als Stilte) omschreven als een bijna religieuze ervaring. Het poëtische is in haar werk even aanwezig als het banale. Soms mengt de boel, maar meestal niet. Neem het titelverhaal uit (haar vermoedelijk bekendste bundel) Runaway. Weduwe helpt ongelukkig gehuwde jonge buurvrouw haar miezer van een man te verlaten. Beiden beleven tijdens de voorbereiding van het vertrek van het meisje een groot gevoel van vrijheid en opluchting. Al is die bij de weduwe het grootst. Als het meisje in de bus op weg naar een vriendin van de weduwe een loden angst voelt (wie zal ze ‘daar’ in Toronto nog zijn, zo ver weg van haar man, de minkukel?) belt ze hem in paniek. Come and get me. Please, come and get me. Als hij later – in de avond wanneer de jonge vrouw weer is ‘waar ze hoort’ – als een bijna-insluiper verhaal komt halen, is de sfeer tussen hem en de weduwe keelafknijpend dreigend, beklemmend. Tot het (banale) wonder dat hen een kort maar weergaloos moment verbindt. Buiten in de mist doemt een verschijning op, een teder wit mirakel, uitvergroot (in de koplampen van een auto) als een voorbode van het onbegrijpelijke, goede: de weggelopen, vermiste geit Flora.

Adembenemend. Vooral vanwege de eerdere, ijzingwekkende dialoog tussen de man en de weduwe. Zo kan het dus ook, denk je. Zonder opzichtig gehengel naar dat Ene Grote Verhaal toch steeds opnieuw compleet. Volledig in de verbeelding van levens, terwijl er ook geroerd wordt in het water van de onderstroom. Verhalen die levendig en vitaal zijn en je in een toestand van verhoogde waakzaamheid brengen, gevoelig voor hoop, doodgewone angst, doorsnee-kwaad, onnozelheid, ontkenning, persoonlijke mythes, dromen. Met niets van het botte vlakke realisme dat zoveel dingen buitensluit.

En nooit is er één enkel karakter dat het verhaal creëert. Altijd maken ze met elkaar het verhaal, dat daardoor meer wordt dan de som der delen, personages met levens die ontsnappen aan de mythe of aan de wet van het ontwerp. Het doelgerichte, door de mens zelf (en in vrijheid) vormgegeven bestaan – dat nog steeds zo prominent aanwezig is in de Nederlandse literatuur – wordt in de verhalen van Munro anders geleefd. Achteloos, vol echte elementen, pure paniek, hoop, droefheid, rouw, botheid, met momenten van geluk en verlangen naar een authentiek leven. Met wervelende verbindingen en een bijzondere verhouding tot de tijd die de personages optilt, soms meeneemt, uit het verhaal en ze later, anders, terugbrengt, soms voorgoed, onbegrijpelijk onbereikbaar voor anderen. Verhalen die je binnenstromen en vertragen.

I did not know that short stories were dead and that they were just terribly unfashionable’, zei ze ooit in een interview. En ook: ‘I write to investigate whatever it is that I am feeling.’ Schrijven om te onderzoeken wat je precies voelt.

Heeft dit schrijven te maken met nostalgie? Over het verleden zegt Munro: ‘Nee, het was niet eens eenvoudig; het zat vol angstaanjagende, verwarrende en soms harde, brutale, gewelddadige dingen. Ik geloof niet dat de manier waarop ik het verleden gebruik een ontwijken is.’

Ik ben blij dat Alice Munro de Nobelprijs voor Literatuur heeft gekregen Maar vooral dankbaar voor haar klassieke tragedies in proza, voor haar even empathische als onthechte portrettering van deze wereld, die wordt bedreigd, die vol harde waarheden zit en de (soms prachtige) leugens die wij mensen onszelf (over onszelf) vertellen.

Van Manon Uphoff verscheen deze zomer de verhalenbundel De zoetheid van geweld.