Loodskroniek door de wal gekeerd

Loodsen proberen via de rechter de publicatie van een boek over het loodswezen te verbieden. Een vraaggesprek met auteur en antropoloog Martijn van Oorschot.

De Nederlandse Loodsencorporatie wil niet dat Martijn van Oorschot een studie publiceert waartoe zij zelf opdracht heeft gegeven. Foto Merlijn Doomernik

Martijn van Oorschot, cultureel antropoloog en organisatieadviseur, is verbijsterd, net als zijn advocaat. „Een mooi boek verbieden, hoe kan een rechter zoiets doen?”

Zover is het nog niet, maar de voorzieningenrechter in Amsterdam liet maandag weinig ruimte voor twijfel: zij gaat de eisende partij in kort geding waarschijnlijk gelijk geven, denkt Van Oorschots advocaat. Die eisers zijn de Nederlandse Loodsencorporatie (NLC) en 20 aangesloten loodsen. De eis: Van Oorschot wordt verboden om een studie te publiceren waartoe zij zelf opdracht hebben gegeven. Volgens de dagvaarding voldoet het boek ‘wat betreft inhoud en kwaliteit’ niet aan de verwachtingen van de opdrachtgever.

Hoe is het zover gekomen?

Van Oorschot: „Dit jaar is het een kwart eeuw geleden dat het loodswezen een zelfstandige organisatie werd. Tot 1988 viel het onder het ministerie van Verkeer en Waterstaat en waren loodsen ambtenaren. In 2004 doceerde ik aan de afdeling Bestuurs- en Organisatiewetenschap van de Universiteit Utrecht en deed ik onderzoek naar verzelfstandiging van overheidsdiensten. Het loodswezen was één van de gevalstudies.

„Loodsen zijn eigenwijze mannen die niet goed pasten in de ambtenarenwereld. Gewezen kapiteins en stuurlieden, die de wereld om hen heen zien als dekzwabbers, en op gevorderde leeftijd het erebaantje loods krijgen. Daar kregen ze te maken met een ambtelijk diensthoofd die van ze eiste dat ze een stuk in drievoud indienden en die pas zes maanden later antwoord gaf. Twee verschillende werelden. In mijn boek uit 2004 stel ik vast dat die van het loodswezen een van de weinige geslaagde verzelfstandigingen was.”

Vandaar de opdracht tot een gedenkboek?

„Dat woord is nooit gevallen. Ze hebben mij als wetenschapper gevraagd om die eerste gevalstudie uit te breiden tot een kroniek van de afgelopen 25 jaar. ‘Van Oorschot’, zeiden ze, ‘schrijf daar voor ons een gezaghebbend boek over onder jouw naam.’ Ik kreeg de vrije hand. Er is alleen een A4-tje met het overeengekomen bedrag en een afnamegarantie van 2000 exemplaren. Verder ging ik er mee akkoord dat de NLC de 20 loodsen en medewerkers selecteerde die ik voor het boek zou interviewen. ”

Hoe ging u te werk?

„Volgens de ‘narrative approach’. Ik laat mensen praten en heb een scala aan technieken om hun defensie te laten zakken, zodat er meer uitkomt dan het standaardverhaal van de baas. Voor het boek heb ik 20 leden en medewerkers van de NLC geïnterviewd en vijf externen, mensen die beroepshalve te maken hebben met het loodswezen, onder wie een oud-minister en de havenmeester van Amsterdam.”

Heeft de NLC zich het recht voorbehouden om eindredactie te plegen op de tekst?

„Nee. Dat zou ik ook niet willen. Ik ben een zelfstandig onderzoeker. Als gepromoveerd wetenschapper ben ik gebonden aan de normen van de KNAW en als erkend organisatieadviseur aan de gedragscode van de OOA. Maar ik gaf de geïnterviewden wel, op eigen initiatief, de mogelijkheid om te reflecteren op de interviewtekst. Zij brachten, getuige de mailwisseling, kleine wijzigingen aan en wensten me er vervolgens succes mee.

„Toen ging Eric van Dijk, voorzitter van de NLC, er tot mijn verbazing ook nog een keer doorheen. Zijn track changes zijn omvangrijker dan de oorspronkelijke tekst. Dat heb ik geweigerd. Daarmee kom ik niet alleen op voor mijn eigen onafhankelijkheid, maar ook voor de geïnterviewden, want zoals Van Dijk het wilde, hebben ze het nooit gezegd. Zo zegt een van de medewerkers: ‘Over vijftig jaar zullen er wel geen loodsen meer zijn, want dan is alles geautomatiseerd’. Daar maakt Van Dijk van: ‘loodsen zullen altijd nodig zijn’. Dat kan niet uiteraard niet.”

Wat gebeurde er na uw weigering?

„Toen liet Van Dijk me telefonisch weten dat hij de stekker eruit trok. Hij bood me een bedrag aan waarvoor ik de inmiddels afgeronde tekst zou moeten inleveren, dan zou de NLC er zelf een boek van maken. Ik zei hem dat ik het boek zelf ging uitgeven. Niet lang daarna werd ik gedagvaard door de NLC en dezelfde loodsen, die eerder de teksten hadden geaccordeerd. In 20 gelijkluidende verklaringen ontzeggen zij me het recht te om gebruik te maken van de interviews. Wat opvalt, is dat alleen de mensen die een afhankelijkheidsrelatie hebben met de NLC hebben getekend.”

Enig idee wat de NLC gedreven heeft tot deze vergaande stap?

„Daar kan ik alleen naar gissen. Bij de verzelfstandiging in 1988 was er een probleem met de zogenoemde ‘back service’, het bedrag dat je moet storten in een pensioenfonds om een lage pensioenleeftijd geregeld te krijgen, want dat geld moet ergens vandaan komen. Het ging om 260 miljoen euro. In de onderhandelingen met de overheid hebben ze, op een volgens mij niet helemaal correcte manier, bedongen dat de pensioenleeftijd op 55 moest blijven, waarop de overheid zei: dat gaan wij niet betalen, laat de haven daar maar voor opdraaien. Het loodswezen mocht een opslag doen op zijn tarieven voor beloodsing om dat bedrag binnen te halen. Dat was nog niet geregeld of het verhoogde de pensioenleeftijd naar 58 jaar.”

Zou het dat zijn?

„Er zijn meer dossiers die ze liever binnenskamers houden. Zoals innovatie in de vorm van ‘loodsen op afstand’ (LOA) . Dat betekent dat ze niet meer met een boot van 4 miljoen naar het te beloodsen schip varen, aan boord klimmen en op de brug gaan staan. Dan zoeken schepencontact met een loods aan de wal en stellen zij onderling computers in. Zo vaart dat schip binnen zonder loods aan boord. Daar verzet de NLC zich uit alle macht tegen, ook al zijn de reders er voorstander van.”

„Het kan ook zijn dat voorzitter Van Dijk nerveus werd van de verhalen. Dat hij een beeld heeft van zijn organisatie dat niet strookt met wat oprijst uit de interviews. Want dat is de kern van deze zaak: dat hij daar van alles in begon te wijzigen. Toen heb ik gezegd: dat wil ik niet. Ik ben geen Diederik Stapel of Mart Bax.”

    • Dirk Vlasblom