Lakens en gras smoren de kreten in haar hoofd

Bij het lezen van de verhalen van Alice Munro heeft de lezer telkens het geheimzinnige gevoel dat hij iets leert inzien. Dat hij iets over zichzelf te weten zou kunnen komen, in elk verhaal weer. Maar wat dat is? Dat is iets onuitsprekelijks.

Je weet meteen dat wat Doree is overkomen, iets enorms is. Ze is verhuisd, ‘ze’ hebben nieuw werk voor haar gevonden, ze heeft een ander kapsel genomen. Er heeft een foto van haar in de krant gestaan, van haar met de drie kinderen. Dat alles blijkt in de eerste anderhalve bladzij. Heeft ze iets gedaan? Of is er iets gebeurd?

Je vermoedt het laatste, want er is sprake van een ‘hij’ die geleidelijk contouren aanneemt. Een man. Haar man. En na nog anderhalve bladzij waarin je hebt begrepen dat die man ergens opgesloten zit, dat Doree in de bus zit om hem op te zoeken, dat Doree geregeld praat met een hulpverleenster, begint je hart wat harder te bonzen. Er is iets. Er is duidelijk iets.

Die man, hij heet inmiddels Lloyd, is zo’n zuiger. Zo’n dwinger. Zo’n man die een vrouw in zijn macht heeft doordat hij ouder is, meer ervaring heeft, regels stelt. Regels als dat alleen borstvoeding goed is voor een kind. Als Doree het derde kind na drie maanden al niet meer voedt, omdat het kind last heeft van koliek, knijpt Lloyd hard in haar ene borst en dan in de andere om er tóch melk uit te persen. Hij noemt haar een hoer.

Doree krijgt een keer op het bureau van de hulpverleenster een christelijk foldertje in haar handen gedrukt waarop iets staat over ‘wanneer je verdriet ondraaglijk is’. Het vervult haar met ontzetting. Dat er mensen zijn die denken dat er iets op te lossen valt. ‘Ze wilde zeggen dat zo’n geloof wel handig kon zijn omdat ze dan kon denken dat Lloyd in de hel zou branden, of iets dergelijks, maar ze was niet in staat om verder te gaan, omdat het te stom voor woorden was. En vanwege het vertrouwde gevoel dat haar tegen hield, alsof ze met een moker in haar buik werd geslagen.’

Het is het eerste, adembenemende verhaal van de verhalenbundel Te veel geluk van de gisteren met de Nobelprijs onderscheiden Canadese. De toon is kalm, een beetje afstandelijk. De schrijfster vraagt niet om medelijden voor haar personage. Het personage is ook niet bijzonder mooi of leuk. Maar ze maakt iets mee, ze heeft iets meegemaakt, dat een lezer naar adem doet snakken. ‘Een tijd lang had Doree alles wat ze beet kon pakken in haar mond gestopt. Na de aarde en het gras waren het lakens en baddoeken en haar eigen kleren geweest. Alsof ze niet alleen de kreten wilde smoren die er in haar oprezen, maar het hele tafereel in haar hoofd.’

Gelukkig maken de meesten van ons niet zulke dingen mee als in dit verhaal. Sommige van de dingen die in de andere verhalen gebeuren wel, maar lang niet alles. Toch is het geheimzinnige dat je steeds het gevoel hebt dat Alice Munro je iets leert inzien. Dat je iets over jezelf te weten zou kunnen komen, in elk verhaal weer.

Maar wat dat is? Dat valt niet te zeggen. Het is iets onuitsprekelijks. Zoals in deze verhalen veel onuitsprekelijks zit, zonder dat ze maar enigszins onhelder zijn, want dat zijn ze niet. Munro vertelt kalm, lucide, met behendige sprongetjes door de tijd waardoor ze de aandacht voortdurend vast weet te houden en je meeneemt naar ‘daar’.

Daar is in Munro’s verhaal; daar is ook in Canada, in Huron County, voor Munro een vanzelfsprekende achtergrond van een niet erg dicht bevolkt gebied in Ontario. Ach, het is niet zo belangrijk voor de lezer om heel precies te weten waar ‘daar’ is. Daar is soms in het heden soms in het verleden, het verleden van iemand anders waarin dingen gebeurden die bekend en onbekend zijn en die je aangaan.

Het is het soort leeservaring die je ook hebt bij een schrijfster als Vonne van der Meer, glasheldere verhalen met heel gevoelige en veelzeggende details, details waar niets bijzonders aan is maar die alles in een bepaald licht zetten.

Natuurlijk is Alice Munro er vaak genoeg toe aangezet om nu eindelijk eens een roman te schrijven. Maar het is haar genre niet. Ze schrijft perfecte verhalen.

Verhalen die even vol en veelzeggend zijn als een roman, al zijn ze geen romans. Zoals je van een banketbakker geen wildschotel verlangt, zo verlang je van Munro geen roman.

De verhalen in Te veel geluk hebben meestal een vrouwelijke hoofdpersoon. Ze gaan over dingen als huwelijk, kinderen, overspel. Maar soms ook over geweld, mismaaktheid, dreiging. Nooit spectaculair, altijd in min of meer gewone levens, al kunnen die, zoals het verhaal over Doree laat zien, lelijk ontsporen.

Munro is niet speciaal zacht voor haar personages. De waarheid is niet zacht. Munro schrijft de waarheid, dankzij een volmaakte vorm.

    • Marjoleine de Vos