En die voor de Vrede levert vaak gedoe op

Vandaag wordt de Nobelprijs voor de Vrede bekendgemaakt De lijst winnaars is controversieel Ghandi won hem nooit, bijvoorbeeld Wie kiest eigenlijk de ‘kampioen van de vrede’?

Mahatma Gandhi, nooit de Nobelprijs voor de Vrede gewonnen.

Verslaggever

Scepsis over de Nobelprijs voor de Vrede, die vandaag voor de 94ste keer wordt toegekend, is gemakkelijk. Een lijstje met controversiële winnaars volstaat. ‘Oorlogsmisdadiger’ Henry Kissinger (in 1973), ‘zionist’ Menachem Begin (1978) en ‘racist’ F.W. de Klerk (1993) behoren tot het illustere gezelschap van mensen die volgens velen de prijs nooit hadden mogen krijgen.

Ook over een minder bekende winnaar als Wangari Maathai (2004) rees twijfel. De Keniaanse plantte niet alleen bomen in de strijd voor duurzaamheid (wat had dat trouwens met vrede te maken?), maar zou volgens een Keniaanse krant ook hebben beweerd dat aids door westerse wetenschappers in Afrika was verspreid. En hoe durfde het Nobelcomité de Amerikaanse oud-vicepresident Al Gore (2007) te lauweren voor een film die angst zaaide door te overdrijven over klimaatverandering. Zelfs op de keuze voor de Chinese dissident Liu Xiaobo (2010) kwam kritiek, en niet alleen uit China. Hij had ooit de Amerikaanse inmenging in Vietnam en de Irak-oorlog verdedigd.

Kritiek op het Nobelcomité is dan ook van alle tijden. Natuurlijk kun je je afvragen met welk recht een groepje van vijf door het Noorse parlement aangewezen oud-politici (want dat zijn het meestal) ieder jaar een ‘kampioen van de vrede’ mag aanwijzen. Dat is dan wel de vrede zoals een westers land, NAVO-lid bovendien, die ziet. Waar bemoeien ze zich mee, zei de Russische regering nadat Lech Walesa de prijs kreeg (1983), de Chinese regering na de Dalai Lama (1989) en Birmese regering na Aung San Suu Kyi (1991).

Die reactie is begrijpelijk want zij wisten ook dat de status van de winnaar groeit en daarmee de betekenis van zijn boodschap. „De laureaat staat in de hele wereld symbool voor de goede wil, voor de zuiverheid van hart”, vond Francis Sejersted, in de jaren negentig van de vorige eeuw voorzitter van het Nobelcomité. De Zuid-Afrikaanse bisschop Desmond Tutu, die de prijs in 1984 ontving, zei het iets luchtiger: „Meteen nadat ik de Nobelprijs had gekregen werd ik een instant orakel. Bijna alles wat ik eerder al eens had gezegd, werd nu ontvangen met iets van ‘aah’.”

Controverse hoort bij de Nobelprijs, vindt Øivind Stenersen, historicus en oprichter van Nobeliana.com, een website over de vredesprijs. Ruzies over de winnaar zijn volgens hem zelfs een deel van het succes. In een interview per e-mail schrijft hij dat het Nobelcomité zich daarvan heel goed bewust is. „De secretaris, professor Geir Lundestad, heeft herhaaldelijk benadrukt dat controversiële laureaten internationaal debat uitlokken over vredesvraagstukken. Dat is goed voor het stellen van prioriteiten op de internationale agenda”, aldus Stenersen.

Of het nou „staatmannen aan de onderhandelingstafel, verdedigers van mensenrechten, experts van internationaal recht, rebellen, humanisten, idealisten, pragmatici of dromers” zijn, zei de voorzitter van het Nobelcomité, Aase Lionæs, in 1974, „allemaal waren het controversiële figuren”.

Waarschijnlijk bestaan ze niet eens, winnaars waar iedereen blij mee is – hooguit achteraf, als de oogkleppen van de actualiteit verdwenen zijn. Wie nu door iedereen wordt gewaardeerd kan waarschijnlijk voor de vrede nauwelijks een lans breken.

Het is bijna een wonder dat de vredesprijs twee wereldoorlogen, een Koude Oorlog en een ‘Oorlog tegen Terreur’ heeft overleefd. Zeker omdat het comité al vrij snel begon af te wijken van wat Alfred Nobel in 1895 in zijn testament had bepleit. Nobel wilde een prijs voor degene die dat jaar „het meest heeft gedaan voor de broederschap tussen naties, voor de afschaffing of verkleining van bestaande legers en voor het stimuleren van vredescongressen”.

Vooral in de beginjaren van de prijs waren het veelal goedbedoelende wereldverbeteraars die hem kregen. Het leverde winnaars op als Frédéric Passy, Élie Ducommun, Charles Albert Gobat, Bertha von Suttner, Fredrik Bajer – wie kent ze nog? Maar steeds vaker ging de prijs naar politici of organisaties die persoonlijk betrokken waren bij een conflict, er soms jarenlang aan hadden bijgedragen, die bereid waren tot een compromis tussen goed en kwaad.

Dat heeft de prijs volgens historicus Øivind Stenersen een meer Scandinavisch stempel gegeven. „Scandinaviërs zijn missionair”, vat hij samen. Ze hechten aan hun egalitaire maatschappij en aan vrouwenrechten, ze geloven in sociale solidariteit en collectivisme. Ze hebben veel vertrouwen in de Verenigde Naties en – iets waarmee Noorwegen een zekere faam heeft verworven – ze zijn pleitbezorgers van stille diplomatie door kleine landen. Ze proberen een brug te slaan tussen de islamitische wereld en het Westen. En ze maken zich grote zorgen over klimaatverandering.

Dat zie je volgens Stenersen terug in de toekenning van de prijs. Vooral in het afgelopen decennium hebben meer vrouwen en meer moslims de Nobelprijs gekregen. En het klimaat was zowel in 2004 (Maathai) als in 2007 (Al Gore en het IPCC, het klimaatpanel van de Verenigde Naties) aanleiding voor een Nobelprijs.

Dat Noorwegen met de prijs soms zichzelf in de problemen brengt, is volgens Stenersen onontkoombaar. Soms neemt het Nobelcomité een besluit dat strijdig is met de Noorse politieke en economische belangen op de korte termijn”, aldus de historicus. „Dat is cruciaal om de onafhankelijkheid van de prijs te bewaren en het benadrukt de idealistische doelen.”

Het helpt volgens Stenersen dat de Noorse bevolking zo trots is op de prijs. „Het is een belangrijk deel van de Noorse nationale identiteit geworden.”