Een monster in de supermarkt

‘Schatje? Waar ben je nou?” Op het moment dat ik de deur van het vriesvak open doe, hoor ik de stem. Ik draai me om en zie meteen dat ik me niet vergist heb. Hij is het echt, blijkbaar hebben we dezelfde supermarkt.

De mond bij de stem glimlacht naar een kleuter die aan komt draven. „Papa, mogen we deze?”

Zonder op antwoord te wachten gooit het kind een pak pennywafels in een winkelwagen. Met een vaderlijk knikje worden de koeken goedgekeurd.

„En volgens mij zijn de weekendfrietjes op”, zegt de stem op een toon die een feestje belooft.

„Yes! Patat!” De kleuter viert de aanstaande koop met twee vreugdevolle vuistjes in de lucht.

„Pardon, mag ik even?” De stem, de man – de papa dus – buigt voor me langs en gunt me een korte, vriendelijke blik zonder me werkelijk aan te kijken.

Ik merk nu pas dat ik de deur van de diepvries nog altijd open hou. Een familiezak ovenfriet passeert mijn neus en belandt boven op de wafels. De wagen krijgt een duw, rolt voort langs de goedgevulde schappen en vader en kind winkelen vrolijk verder.

Ik kijk ze na. Andere klanten zien ongetwijfeld de onvoorwaardelijke liefde die van het tweetal afspat. Ik zie nog iets anders. Daar loopt een onschuldig, nietsvermoedend kind met daarnaast een… een monster.

Nee, hij herkende me niet – misschien wílde hij me niet herkennen – maar nog geen week geleden stonden deze lieve papa en ik samen op dezelfde, omlijnde lap kunstgras aan de rand van een nieuwbouwwijk. Vijfenzeventig minuten lang zat hij te schoppen en te schelden. Toen, een kwartiertje voor tijd, schoffelde hij een tegenstander zo ongenadig hard onderuit dat het een wonder was dat er geen ledematen doormidden braken.

Ik gaf hem een directe rode kaart, wat de papa deed schuimbekken als een wildeman. Zijn teamgenoten moesten hem uiteindelijk van het veld afvoeren.

Ik vul mijn mandje met de laatste boodschappen. Als ik mijn spullen op de band bij de kassa zet, staan vader en kind plotseling achter me in de rij. Het monster legt zijn weekendfrietjes vlak naast mijn bladerdeeg.

„Bonuskaart?”, vraagt de caissière. Ik zoek in mijn portemonnee, ben het ding blijkbaar vergeten.

„Kun je ’m vinden? Je mag de mijne anders wel hoor.” De man glimlacht naar me. „Hier.”

Een weekje geleden gaf ik het monster een kaart, nu geeft hij er een aan mij. Ik knik naar de man, bedank hem voor het lenen. Hij is geen voetballer, ik ben geen scheidsrechter. We zijn twee doodgewone klanten in de supermarkt.

    • Menno Fernandes