Christiane F. leeft nog. Dat vindt ze zelf ook bijzonder

Wir Kinder vom Bahnhof Zoo maakte haar en haar Berlijnse subcultuur wereldberoemd Vandaag verschijnt haar tweede boek, over haar leven daarna: „Mensen wilden weten hoe het verder ging”

correspondent berlijn

Het meest verbazingwekkende is, vindt ze zelf ook, dat ze nog altijd leeft. Christiane F., vijfendertig jaar geleden op slag wereldberoemd door haar autobiografische boek en de gelijknamige film Wir Kinder vom Bahnhof Zoo. Over de miserabele subcultuur van de aan heroïne verslaafde tieners die zichzelf te koop aanboden in de buurt van het station bij de West-Berlijnse dierentuin. Alle jongens en meisjes uit de film zijn inmiddels dood. Behalve Christiane Felscherninow, zoals ze voluit heet.

In een YouTube-filmpje kondigde ze vorige maand de publicatie aan van het vervolgverhaal, Christiane F.: Mein zweites Leben (Christiane F: Mijn tweede leven). „Ik ben vijfendertig jaar later nog steeds niet dood. Bijna niemand geloofde dat ik 51 jaar zou worden.” Vandaag presenteert zij, met haar ghostwriter Sonja Vukovic, haar boek. „Omdat de mensen willen weten hoe het verder ging.” De Facebook-pagina van het boek vat de inhoud bondig samen: „Een geschiedenis van hoop en hel, gelukkige jaren in Griekenland, de overlevingsstrijd in de vrouwenbajes, avonturen met rockidolen, literaire sterren en drugsdealers.”

Het boek Christiane F.: Wir kinder vom Bahnhof Zoo shockeerde het nog in tweeën gedeelde Duitsland in 1978. Twee journalisten van het weekblad Stern, Kai Hermann en Horst Rieck, hadden gedurende enige maanden dagelijkse gesprekken met de toen zestienjarige, afkomstig uit de Berlijnse scene van verslaafde kinderhoertjes, lokaal beter bekend als de Babystrich. In hun boek presenteerden Hermann en Rieck de ontluisterende geschiedenis vanuit het perspectief van het meisje, dat tamelijk afstandelijk verslag doet van wat haar sinds haar twaalfde is overkomen.

Het boek had een enorme impact, stond twee jaar nummer één op de Duitse bestsellerlijst, werd in vijftien talen vertaald en in 1981 verfilmd. In de wereld van de volwassenen overheerste afschuw: de film is een tijdsdocument dat vastlegt hoe een generatie haar onschuld verloor. Onder jongeren kregen boek en film (met de muziek van David Bowie) een cultstatus.

Boos sprookje

Het boek werd drie miljoen keer verkocht, vijf miljoen mensen zagen de film. En Christiane Felscherinow leeft sindsdien van haar royalty’s. In een interview zegt ze nu dat ze de opbrengsten van toen „zo verstandig heeft belegd, dat ik er zelf niet aan kan komen, ook al zou ik het willen”. Want dat is de keerzijde van het boze sprookje: in het boek kickt het meisje af en ze leeft nog lang en gelukkig bij haar oma op het platteland van Sleeswijk-Holstein. De echte Christiane Felscherinow leeft ook nog steeds, maar is nooit opgehouden te gebruiken.

Dat geldt overigens ook voor veel van de andere survivors van haar generatie. Ze zijn er nog steeds op het Bahnhof Zoo: de kinderen uit het boek zijn inmiddels oude mannen. Ze hangen rond aan de achterkant van het station, sommigen met een rollator, bij het afdak dat ook in de film te zien is. Verderop is een gaarkeuken. Aan de overkant is een speciale ambulancedienst voor daklozen. En er zijn twee campers waar gebruikers kunnen bijkomen en heroïne kunnen spuiten onder het oog van hulpverleners. Er is een automaat waar ze voor vijftig cent een spuit kunnen kopen met wat alcohol ter ontsmetting. Er zijn artsen die eerste hulp geven bij overdoses, hulpverleners die condooms uitdelen en advies geven over veilige seks. Naar schatting zijn er in Berlijn nog altijd acht- tot tienduizend verslaafden aan hard drugs. Jaarlijks vallen er ruim honderd heroïnedoden.

Eigenlijk was Felscherinow in eigen land nooit ver weg uit de actualiteit in de achterliggende jaren. Een eerste terugblik gaf ze als twintigjarige in 1982 in een vraaggesprek met Die Zeit. Ze vond de film overdreven, met al die bloedige naalden die gespoeld worden in wc-potten, de zweterige hoofdrolspelers die met hun vlekkerige huid en half gesloten ogen als zombies rondwankelen. „Het had beter een documentaire kunnen zijn, in zwart-wit, met de echte gebruikers in beeld.”

Zeven jaar geleden zat Felscherinow in een talkshow. Ze vertelt over haar zoon, die dan tien jaar is. En dat ze dagelijks methadon gebruikt, het synthetische middel dat afkickverschijnselen onderdrukt maar niet de roes geeft van heroïne. Ze verklaart kerngezond te zijn. Alles gaat prima.

Twee jaar later, in 2008, blijkt de werkelijkheid anders. In een verhaal in de Frankfurter Allgemeine Zeitung vertelt ze verbitterd dat er een vloek rust op haar leven. Ze had nooit haar verhaal moeten vertellen aan die journalisten. Dat ‘Christiane F.- ding’ blijft haar achtervolgen. En als ze over haar zoon vertelt, huilt ze omdat ze ziet dat hij lijdt onder haar manier van leven. Een paar maanden later duikt Felscherinow weer op in het nieuws: ze heeft een terugval. Haar zoon is ondergebracht bij een pleeggezin nadat ze met hem en haar toenmalige partner wilde verhuizen naar Amsterdam. Felscherinow gebruikt weer heroïne.

Christiane Felscherinow maakt nu de voorlopige balans op van haar leven. Haar zoon is zeventien en zoekt haar elk weekend op. Ze heeft een chowchow en aan journalisten vertelt ze hoe ze elke ochtend haar huis brandschoon maakt. Als verlate reactie op de tijd dat ze ronddreef tussen peuken, en lege blikken tonijn in publieke wc’s. En dat ze dagelijks naar haar huisarts gaat voor haar methadon. Als ze gestresst is, blowt ze of drinkt ze Southern Comfort, ondanks haar levercirrose. „Ik heb geweldige genen. Als ik van de drugs was afgebleven, had ik wel honderd kunnen worden. Nu zien we wel wanneer het ophoudt.”

    • Frank Vermeulen