Verdachten te snel in de gevangenis

De bewindslieden schenden beginselen van het strafrecht door het hoger beroep van verdachten te negeren en hen meteen vast te willen zetten, vindt Sonja Meijer.

De minister en staatssecretaris van Veiligheid en Justitie willen dat gevangenisstraffen van meer dan twee jaar direct na oplegging door de rechter worden uitgevoerd, ondanks een ingesteld hoger beroep. Wanneer er slachtoffers zijn, zou dat al bij gevangenisstraffen vanaf één jaar moeten kunnen. Zo zal een verdachte zijn straf in de toekomst dus al bij voorbaat moeten ondergaan, ook al is hij het oneens met de rechterlijke beslissing.

De reden is volgens de bewindslieden dat het voor de geloofwaardigheid van het strafrechtssysteem en het vertrouwen in de rechtsstaat van groot belang is dat een strafrechtelijke beslissing zo snel mogelijk wordt uitgevoerd. Begin dit jaar bleek dat de gevangenisstraffen van maar liefst circa 15.000 personen nog niet zijn voltrokken. Justitie is dan onmachtig om veroordeelden na hun onherroepelijke veroordeling te vinden, veelal omdat zij naar het buitenland zijn gevlucht, of onvindbaar zijn. En dat is de bewindslieden op stevige kritiek komen te staan. Ik moet de minister en staatssecretaris nageven dat het niet te verkroppen is dat opgelegde straffen niet kunnen worden uitgevoerd. Maar de oplossing is niet om mensen maar op te sluiten zodat ze alvast ‘binnen’ zijn en om hen zo te kunnen houden om ze bij voorbaat te kunnen bestraffen.

Dat staat op gespannen voet met een belangrijk uitgangspunt van het strafrecht, namelijk dat een rechterlijke uitspraak pas mag worden uitgevoerd als zij onherroepelijk is. Zolang niet op een hoger beroep is beslist, mag niet met de uitvoering worden begonnen. Zo wordt zoveel mogelijk voorkomen dat ten aanzien van een verdachte onherstelbare maatregelen worden genomen. De tijd die iemand in de gevangenis heeft doorgebracht kan niet worden teruggegeven als deze straf later onterecht blijkt te zijn opgelegd.

Het geeft bovendien vorm aan het onschuldbeginsel. Een verdachte moet voor onschuldig worden gehouden totdat zijn schuld onherroepelijk vaststaat.

Er zijn uitzonderingen mogelijk op grond van zwaarder wegende maatschappelijke belangen. Het belang van het onderzoek of het gevaar van recidive kan rechtvaardigen dat de verdachte wordt vastgehouden. Als een rechter dit nodig acht, kan hij dus al bevelen dat een verdachte blijft vastzitten totdat de uitspraak onherroepelijk is. Het voorstel is in die zin dus overbodig. Ook kan een rechter nu al sommige sancties dadelijk uitvoerbaar verklaren, zoals een contact- of gebiedsverbod. In geval van een overlast veroorzakende verdachte kan daartoe alle reden bestaan: het maatschappelijke belang van bescherming van de veiligheid en de lichamelijke integriteit van personen wordt in dat geval boven het belang van de individuele verdachte gesteld. Voor deze afweging van belangen – die bovendien het beste door de rechter kan worden gemaakt – biedt het voorstel evenwel geen plaats.

Het voorstel draagt er aan bij dat nog meer onschuldigen onterecht in de cel komen. De schamele 80 euro per dag, als voorgesteld standaardbedrag na een onterechte detentie, is een pleister op de wonde van de betrokkene die uit zijn normale leven is weggehaald, een detentie heeft ondergaan en inkomsten uit zijn baan heeft moeten missen. Door dit voorstel moeten nog meer schadevergoedingen aan onterecht gedetineerden worden uitgekeerd, terwijl Nederland daar nu al koploper in is in Europa.

Het wetsvoorstel is tot slot overbodig en weinig nuttig. Door de beperking tot gevangenisstraffen van twee jaar en in geval van slachtoffers tot een jaar is het toepassingsbereik van het voorstel zeer beperkt. Slechts in 4 procent van alle gevangenisstraffen die momenteel niet kunnen worden uitgevoerd gaat het om een gevangenisstraf van een jaar of meer. Bij verdachten die onvindbaar zijn of in het buitenland vertoeven is het bovendien de vraag wat we met dit voorstel opschieten. De vogel is dan immers al gevlogen.

De geloofwaardigheid van ons strafrechtssysteem en het vertrouwen in de rechtsstaat heeft baat bij een balans tussen maatschappelijke belangen en rechtsbescherming van de verdachte. Een zorgvuldige afweging door de rechter vooraf voorkomt dat onschuldigen worden vastgezet.