Ontvoering premier Libië toont anarchie

De Libische premier Ali Zidan is vanochtend door een militie ontvoerd uit het Corinthia hotel in de hoofdstad Tripoli, waar hij woont. De ontvoering lijkt een vergelding voor de rol van de Libische regering bij de geheime Amerikaanse legeroperatie van zaterdag, waarbij een aan Al-Qaeda gelieerde terreurverdachte werd opgepakt in Tripoli. Diverse media meldden vanmorgen op basis van regeringsbronnen dat Zidan is vrijgelaten.

De kortstondige ontvoering toont de toenemende anarchie in Libië. Er is een wildgroei aan milities die de regering feitelijk in gijzeling houden.

De ontvoering lijkt het werk van een militie die bekend staat als de Controlekamer van de Revolutionairen van Libië, die door de regering wordt ingehuurd voor de beveiliging van Tripoli. Een woordvoerder zei tegen persbureau Reuters dat Zidan is „gearresteerd” nadat de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken John Kerry verklaarde dat de Libische regering heimelijk zijn goedkeuring gaf aan de Amerikaanse operatie. Dit staat haaks op de aanvankelijke reactie van de Libische regering, die de VS na de actie om opheldering vroeg. Zidan zei dat „Libië zijn zonen niet uitlevert”.

Getuigen zeiden tegen persbureau AP dat zo’n 150 gewapende mannen vanochtend in terreinwagens naar het hotel reden en het gebouw belegerden. De Saoedische zender Al-Arabiya toonde vanochtend videobeelden van Zidan, waarschijnlijk van het moment dat hij het hotel wordt uitgehaald. Hij wordt door twee jonge mannen aan zijn armen vastgehouden.

De ontvoering vond plaats enkele uren nadat Zidan op bezoek was geweest bij de familie van Anas Al-Liby, de Al-Qaedaverdachte die zaterdag door Amerikanen werd gepakt en nu wordt vastgehouden op een oorlogsschip. De arrestatie van Al-Liby heeft de woede gewekt van moslimextremisten in Libië, waaronder de radicale militie Ansar al-Shari’a die verantwoordelijk wordt gehouden voor de aanval op het Amerikaanse consulaat in Benghazi in 2012. Ansar al-Shari’a riep op tot wraakacties op strategische doelen en de ontvoering van Amerikanen in Tripoli.

Sinds de opstand tegen Moammar Gaddafi in 2011 ontbeert Libië centraal gezag. Het land is in handen van milities die vochten tegen Gaddafi en die vaak ‘revolutionairen’ worden genoemd. Ze weigeren hun wapens af te staan en persen de zwakke centrale regering af. Een paar maanden geleden bezetten milities een aantal ministeries om een wet door te drukken die iedere ex-medewerker van Gaddafi voor tien jaar uitsluit van politieke functies. En in juli sloot een militie twee belangrijke olieterminals om meer politieke autonomie af te dwingen.

Omdat het leger en de politie erg zwak zijn, worden veel milities ingehuurd voor veiligheidstaken. Tripoli wordt gecontroleerd door een complex netwerk van milities, die bestaan uit voormalige rebellen, werkloze burgerwachten, islamitische extremisten en vrijgelaten criminelen. Maar de loyaliteit van deze strijders ligt meer bij hun eigen commandanten dan bij de regering en ze hebben herhaaldelijk regeringfunctionarissen bedreigd.