Nummertjes trekken bij de rechter

Kortgedingrechter Rullmann neemt morgen afscheid. De rechtspraak moet eenvoudiger, vindt ze. Wat is er mis aan een dorpsoudste onder de boom?

Rechter Sjoukje Rullmann: „De huidige rechtspraak is voor sommige zaken te zwaar en te duur.” Foto Merlijn Doomernik

Voetbalsupporters die af willen van een stadionverbod, een ondernemer die bezwaar maakt tegen de aanduiding maffiafamilie of leden van het Koninklijk Huis die publicatie van vakantiefoto’s willen verhinderen. Het zijn geschillen waar Sjoukje Rullmann als kortgedingrechter mee stoeide. Sinds 2003 was ze voorzitter van het team dat de spoedeisende juridische conflicten in Amsterdam behandelt. Zo’n vierduizend zaken deed ze de afgelopen tien jaar.

In een bijzondere zitting van de rechtbank wordt Rullmann (65 jaar) morgen uitgezwaaid. Dat gebeurt in een periode dat het aantal kort gedingen door crisis en verhoging van griffierechten daalt, in de laatste twee jaar van 1.350 naar 1.150. Dat baart haar zorgen: „Procederen wordt steeds duurder. Er is een groep mensen die tussen de wal en het schip raakt. Ze komen niet meer in aanmerking voor gefinancierde rechtsbijstand, maar hebben ook niet voldoende geld om hun recht te halen.”

Tijdens haar loopbaan zag ze de rechtbank groeien. Er waren 44 Amsterdamse rechters toen Rullmann dertig jaar terug begon. De president van de rechtbank was een bekende autoriteit die zelf kort gedingen beslechtte. Nu is de baas een voor de buitenwereld onbekende voorzitter van het gerechtsbestuur die veel vergadert en zelf geen recht meer spreekt. „Het is jammer dat we als rechterlijk apparaat niet meer een duidelijk boegbeeld hebben”, zegt Rullmann. Ze ziet het als onvermijdelijk bij „een bedrijf” dat inmiddels 220 rechters telt.

„Mensen hebben steeds meer behoefte aan het juridisch oplossen van conflicten waarvan je vaak denkt: kan je daar niet zelf uitkomen? Moet daar echt een rechter aan te pas komen? Het beroemde voorbeeld betreft de twee zusters die een broer moeten begraven en slaande ruzie krijgen over de vraag waar dat moet gebeuren.”

Rechterlijke conflictbeslechting kan volgens Rullmann een stuk eenvoudiger. Ze pleit voor een systeem waarin de rechter werkt als een juridische huisarts. „De manier waarop wij het nu doen, met dagvaardingen, deurwaarders en uitwisseling van pleitnota’s, is voor sommige zaken te zwaar en te duur. Ik vind dat de rechter gewoon spreekuur moet houden. Partijen trekken bij binnenkomst van de rechtbank een nummertje en wachten op hun beurt. Of ze maken een afspraak. Iemand met een conflict kan de rechter ook vragen de andere partij op te roepen.”

Met name bij familieconflicten en sommige ordemaatregelen – zo’n derde van het aantal kort gedingen – komt een spreekuur van pas. „Nu wordt er een kort geding opgetuigd over de vraag of moeder het paspoort van het kind aan vader moet afstaan zodat hij met het kind op vakantie kan. Door goed te luisteren en hoor en wederhoor toe te passen is zo’n zaak voor een rechter vaak eenvoudig op te lossen. Het sluit ook meer aan bij het idee van de dorpsoudste onder de boom. Een wijze magistraat die conflicten beslecht. Als je een kind voorlopig moet toewijzen bij een scheiding, hoef je echt geen twintig wetboeken te bekijken.”

Naast de ‘juridische huisarts’ staat Rullmann een andere wijziging voor ogen. Eigenlijk zouden alle civiele geschillen in eerste instantie in kort geding moeten worden behandeld. Over dat voorstel laten deskundigen in een boek ter gelegenheid van haar pensionering hun licht schijnen.

„De werkdruk van rechters neemt almaar toe en zaken duren steeds langer. Een bodemprocedure duurt gemiddeld meer dan 450 dagen. Het zou goed zijn als elke civiele zaak eerst in kort geding kwam. Een paar weken na uitbrengen van de dagvaarding komt er een zitting waar wordt bekeken bij wie het risico van een eventuele bodemprocedure moet liggen, namelijk bij degene met de zwakste argumenten. Stel dat iemand wil worden betaald omdat hij werk heeft geleverd en de andere partij weigert omdat het werk onvoldoende was. Dan moet er in de huidige situatie eerst onderzoek komen en moeten getuigen worden gehoord. In mijn plan kunnen beide partijen ter zitting hun kant van het verhaal toelichten. Het standpunt dat het meest aannemelijk is, wordt gehonoreerd. De partij die het daarmee niet eens is, kan een bodemprocedure beginnen.”

De rechter anticipeert in deze procedure op het uiteindelijke oordeel. Voordeel hiervan is volgens Rullmann dat mensen ook eerder een rechter zien. Ze zijn dan nog niet helemaal ingegraven in hun stellingen.

„Als partijen tot de bodem willen procederen: ga je gang, prima. Maar er is ook een heel grote groep die we op een goede manier veel sneller kunnen bedienen. Dat maakt rechtspraak eenvoudiger en efficiënter.”

    • Marcel Haenen