‘Laat mij maar die oude held zijn’

De zelfbenoemde ‘discodinosaurus’ blikt terug op de begintijd van de house, en discotheek de RoXY. „Ik vond het mooi: dat elektronisch-futuristische met het zwarte, broeierige dansgevoel. Je kon dagen en nachten blijven dansen.”

Joost van Bellen Foto andreas terlaak

Hij haalt de anekdote graag aan: hoe zijn moeder de speaker met klassieke muziek tegen haar zwangere buik hield in de hoop dat hij een groot violist zou worden. En de eerste weeën begonnen op de muziek van Chuck Berry, Let’s Twist Again. Muziek, zegt dj Joost van Bellen (51) aan zijn keukentafel in Amsterdam, heeft zijn leven lang al veel betekenis. Als tiener was hij idolaat van de hitlijsten; singles kocht hij elke zaterdag. Zijn eerste zelf aangeschafte album: Aladdin Sane van David Bowie. Vurigste tienerwens: Bowie wórden. Maar er waren ook Gary Glitter-imitaties. En feestjes in zijn lagere schooltijd, met een spiegelbolletje en een pick-upje: Je t’aime moi non plus, waar hij eigenlijk al de dj was. Al had een diskjockey toentertijd nog maar weinig aanzien. „Ik denk vaak dat ik meer dj ben om mensen bij elkaar te brengen dan om de muziek”, zegt Joost van Bellen. „Mensen vermaken heb ik altijd aantrekkelijk gevonden. Ze meenemen in een hedonistische schijnwereld.”

De laptop van Van Bellen staat half open, hij werkt aan wat zijn debuutroman moet worden. Jaren liep de dj, feestorganisator en creatief ondernemer met een idee rond voor een boek dat zijn kleurrijke verhalen uit de muziek, het nachtleven en de modewereld onderdak kon bieden. Geen biografie. „Zo ijdel ben ik niet.” Drie jaar geleden is hij er eens echt voor gaan zitten. In afzondering, zoals de grote schrijvers dat doen, maar vooral weg van alles om het onrustige hoofd eens tot stilte te dwingen. „Ach, dat doe ik even, dacht ik toen”, zegt Van Bellen. „Maar dat heb ik zwaar onderschat. De twijfel sloeg toe. Ben ik getekend op mijn naam? Een dj die een boek schrijft, dat is een leuk marketingverhaal natuurlijk. Of heb ik echt iets te zeggen?”

Het thema van zijn boek, dat verschijnt bij uitgeverij Karakter, is de donkere kant van succes. Is beroemd zijn wel zo leuk?, vraagt Van Bellen zich af, het nieuws over vroeg gestorven sterren als zangeressen Amy Winehouse, Whitney Houston en modeontwerper Alexander McQueen volgend. „Ontluisterend hoe het een diepe wens van jongeren is om topmodel of dj te worden, als je weet hoe de hyena’s op de loer liggen.”

Vijfentwintig jaar dance in Nederland – Joost van Bellen drukte er „een klein beetje” een stempel op. Jaren was hij resident-dj (1987-1999) en artistiek leider (1991-1996) van de fameuze Amsterdamse discotheek RoXY. Van Bellen is een vaste waarde geworden in het Amsterdamse nachtleven: als dj, als initiator van partyavonden (Speedfreax, Oud Hollandsch Acid Feest, RAUW), als nachtburgemeester, programmeur van festival Valtifest, als creatief medewerker bij Meubel Stukken, als dj bij modeshows op de Amsterdam Fashion Week en als gastheer van de pikante rockbar op Lowlands. Hij werd dit jaar genomineerd voor de Amsterdam Prijs in de categorie ‘Bewezen Talent’, omdat hij steeds weer vernieuwing zoekt, aldus de jury.

Toneelschool

Van Bellen kwam in 1980 vanuit Noordwijk naar Amsterdam. Hij wilde acteur worden maar de toneelschool wees hem twee keer af, wegens ‘gebrek aan levenservaring’. Hij likte zijn wonden op de avondschool, koos even de lerarenopleiding en ging een blauwe maandag bij het Werklozentheater Amsterdam. Ondertussen ontdekte hij het uitgaansleven van Amsterdam. Betoverd voelde hij zich door de bijzondere mensen die zich nadrukkelijk anders kleedden, zegt hij. „In reactie op de punktijd kwamen de New Romantics; bands als Adam and the Ants en Spandau Ballet. Ook ik droeg dekens over mijn schouder, paardrijbroeken en make-up. Ik dompelde mij er helemaal in onder in discotheek de Koer en de Mazzo. Van studeren kwam niets.”

In een kraakkelder aan de Rozengracht begon hij met vrienden zijn eerste feestjes met psychedelische jaren-zestigrock. Toen de buren klaagden over geluidslast stichtte hij de Armadillo, met wederom recalcitrante garagepunk. Via via vernam hij van de plannen voor een discotheek die RoXY zou gaan heten, een plan van de illustere drie-eenheid kunstenaar Peter Giele, dj Eddy de Clercq en ondernemer Arjan Schrama. Hier zouden kunstenaars, muziek, media en mode bij elkaar komen, in een barokke club van internatonale allure met een uitgegraven entree.

De RoXY opende in augustus 1987. Een ‘protserige bonbon’ van een club, opgesierd met goud en krullen, en futuristische muziek. Stuwende kracht was dj Eddy de Clercq die heilig geloofde in (acid)house en vurig probeerde die nieuwe uit Amerika overgewaaide elektronische sounds over te brengen aan een nog weifelend publiek.

Ook Van Bellen ging steeds meer house draaien, al was de financiële druk groot, de verbouwing had veel gekost, de RoXY was nog vaak leeg. „Ik kreeg 200 gulden waarvoor ik draaide, flyers maakte en decors regelde. Eddy geloofde heilig in house. Hij was van revolutie. Ik, zijn assistent, de tovenaarsleerling, was meer van evolutie. Maar ik had wel visioenen over dansende massa’s. Ik ging steeds meer house draaien. Rare elektronische muziek uit Detroit, later techno en soulvolle dingen uit New York. Ik vond het mooi: dat elektronisch-futuristische met het zwarte, broeierige dansgevoel. Het ging vooral om het ritme. Simpel, maar voor ons wat het repetitieve juist de kick. Je kon blijven dansen als Afrikaanse stammen die dagen en nachten in trance doorgingen. Dat was de kracht. En de drugs droegen een steentje bij.”

Toen de houserage ook in Amsterdam losbarstte, stond de RoXY op de zegewagen. „De rijen liepen tot aan de Munt. Het deurbeleid was gevreesd maar het moest: bij house ging het ook zeker om seks. Heel primaire gevoelens kwamen los. Mensen lieten zich gaan en lieten zich zien. Xtc was in het begin een grote bevrijding. Dat saamhorigheidsgevoel, het ontkennen van de realiteit en het samen vluchten in een groot sprookjesbos waar het niet uitmaakt of je kassajuffrouw van de Edah, bankdirecteur of grote modeontwerper uit Parijs was. Oud jong, gay of straight. RoXY omhelsde de veilige utopie door het strenge deurbeleid. Daardoor kon ook de vrachtwagenchauffeur uit Zaandam op zijn hoge hakken komen dansen.”

Ook Van Bellen leefde wild. Al was hij „seksueel preuts”, uit vrees voor aids. „Ik nam wel xtc. Maar mijn ambitie en drang naar succes en aanzien waren groter dan de drang mezelf helemaal te verliezen.”

Subgenres

In 1989 opende houseclub IT. Met die concurrent kreeg RoXY het moeilijker, er werd gejaagd op xtc. De housecultuur nam nieuwe vormen aan, en de muziek viel uiteen in vele subgenres met ieder een eigen publiek. Er kwamen raves op industrieterreinen, illegale nachtfeesten op schimmige plekken. Na een verblijf van een half jaar in Argentinië trof Van Bellen een verharde scene: de muziek was harder, de mensen waren meer uit hun dak. „Het was leeg en ik wilde dat warme terug.”

Na diverse discussies over de creatieve inhoud – „op zaterdag kwamen de ‘provincialen’ hun geld opmaken” – wilde Van Bellen rond 1997 geen artistiek leider meer zijn. De RoXY bleef zijn huis met Speedgarage-avonden, maar hij ging ook, met succes, exclusieve Speedfreax-feesten in de Westergasfabriek organiseren.

In 1999 werd alles anders. Het overlijden van RoXY-oprichter, kunstenaar Peter Giele, was een schok. De begrafenis was een ongekend extravagant afscheid door Amsterdam. De begrafenisstoet had vlammenwerpers. Op het afscheidsfeest in de RoXY, uitgedacht door Van Bellen, kwam op het hoogtepunt vuurwerk. En toen ging het mis: de airconditioning, die uit had gemoeten, zoog het vuurwerk op. Op de klanken van Miss You van The Rolling Stones stond de zolder in lichterlaaie. „Ik pakte de microfoon en riep dat iedereen naar buiten moest”, vertelt Van Bellen. „De mensen dachten aanvankelijk dat het erbij hoorde. Eenmaal buiten ben ik weer naar binnen gerend om een DAT-tape te redden waarop alles stond. De tent was vol rook, de vlammen sloegen uit de ramen.

„Ik werd als programmeur verdacht van brandstichting. Het liep af met een sisser. Niemand was gewond, godzijdank. Dat er een tijdperk verloren was, beseften we later.”

Sinds de brand, zegt Van Bellen, is hij erg op zijn hoede. „Ik check overal de vluchtwegen en zorg dat er een microfoon in de dj-booth is: dan kun je mensen de tent uit krijgen. Laatst op Valtifest stond ik op een erg hoog podium met dansers. Dan knijp ik ’m. Daarom ben ik ook niet zo happig op buitenlandse gigs; je weet niet waar je terechtkomt. Een paar jaar geleden in Polen flipte ik: vuurwerk en slingers. Ik heb direct alles stilgelegd.”

Ja, hij is soms echt een angsthaas geworden, slikt hij. En de druk om te presteren voor zoveel mensen voelt hij iedere keer weer. Het scherpe randje drinkt hij weg met cognac aan het begin van zijn dj-set. En dan lukt het hem toch vaak. Op Valtifest draaide hij voor 6.000 man. Op Sensation eens voor 40.000 man. „Ik vind het knap van mensen als Armin van Buuren dat ze het kunnen.”

Van Bellen heeft zichzelf al eens de ‘discodinosaurus’ gedoopt. Overweegt hij wel eens om te stoppen? „Tuurlijk ja. Ik denk soms wel: ben ik niet gewoon een te dikke oude man met een snor die daar in de dj-booth staat en het contact verliest met de doelgroep? Ik zie die bakvissen soms voor me staan en lachen en wijzen. Dan zou ik het liefst cola over ze heen gooien. Maar nee. Laat me maar dat icoon zijn, die oude held die nog steeds met nieuwe muziek komt, en, zeker door de modeshows, een nog breder muzikaal spectrum heeft gekregen. Het grootste misverstand over house is dat alle dj’s er heel rijk van worden. Ik heb een leuk huis met mijn vriend en een leuke auto. Maar een huis op Ibiza heb ik niet. Ik ben niet wereldberoemd. Een enkele keer draait iemand zich om. Kids dragen soms een snor als eerbetoon.

„Dat house leeghoofdig is en een drugsbacchanaal, is een ander misverstand dat ik zal blijven weerleggen. House heeft te vaak de zwarte piet toegeschoven gekregen. Ik blijf het zien als een mogelijkheid weg te zijn uit de dagelijkse beslommeringen en het leven vol te vieren.”

    • Amanda Kuyper