Krijgsmacht Indonesië wil snel uitbreiden

Indonesië doet mee aan de wapenwedloop in Zuidoost-Azië. Een kans voor de wapenindustrie.

Sjafrie Sjamsoeddin wijst naar de machinegeweren die in zijn ontvangstvertrek aan de muur hangen, net boven de lambrisering. „Dat is een voorbeeld van hoe onze krijgsmacht beter moet worden”, zegt luitenant-generaal Sjamsoeddin. De wapens zijn pikzwart. Nergens een kras of deuk. „Die zijn modern en van Indonesische makelij. Zo zien wij het graag. Daar worden de krijgsmacht én de economie beter van”, zegt hij.

Indonesische vrouwen kennen Sjamsoeddin als de knappe militair die tijdens de studentendemonstraties van 1998 vaak op televisie kwam. Inmiddels is hij opgeklommen tot viceminister van Defensie en praat hij over de uitbreidingsdrang van de Indonesische krijgsmacht. Wapens moeten moderner, vliegtuigen sneller, de soldaten sterker en de officieren slimmer. En daar mag flink geld voor worden uitgetrokken, vindt Sjamsoeddin.

En dat geld vindt ook Nederland interessant. Minister Jeanine Hennis-Plasschaert (Defensie, VVD) is dezer dagen op bezoek om de relatie met de Indonesische krijgsmacht te herstellen, nadat de Tweede Kamer vorig jaar de verkoop van tanks aan Indonesië tegenhield. Daar bood Hennis gisteren „haar persoonlijke excuses” voor aan. Ze zei ook uit te zien naar nieuwe aankopen, al speelt er volgens de minister op dit moment niks concreets.

Volgens berekeningen, bijgehouden door Jane’s Defence Weekly, gaf Indonesië in 2005 2,5 miljard Amerikaanse dollar uit aan de krijgsmacht. Dit jaar zal dat circa 8 miljard zijn. „En bijna alle politieke partijen willen de komende jaren nog meer uitgeven aan defensie”, zegt oud-militair en defensie-analist Jagarin Pane. „Dat is voor landen die een sterke wapenindustrie hebben interessant. De absolute bedragen lijken groot, maar momenteel geeft Indonesië nog geen procent van het bruto nationaal product uit aan defensie. Als dat straks toeneemt tot 2 of 3 procent, wat voor grote landen niet eens veel is, wordt het nog aanlokkelijker hier zaken te doen.”

Uit een overzicht dat Pane bijhoudt blijkt dat Indonesië inderdaad is gaan winkelen (zie inzet). Na de tsunami voor de kust van Atjeh in 2004, werd pijnlijk duidelijk hoe inadequaat de Indonesische krijgsmacht was. Zonder schepen, helikopters en medische voorzieningen van bevriende landen was het onmogelijk geweest om reddingswerkzaamheden uit te voeren. Zo afhankelijk zijn, dat mag niet nog eens gebeuren, is de gedachte.

Wat Indonesië doet, doen meer landen in Zuidoost-Azië. Volgens Jane's Defence Weekly zullen landen in de regio hun defensie-uitgaven opschroeven van 25 miljard dollar dit jaar tot 40 miljard in 2016. Ook Singapore en Maleisië hebben de laatste jaren veel in defensie gestoken. „Indonesië is niet betrokken bij het conflict over de Zuid-Chinese zee, maar buurlanden wel. En het is voor China van groot belang. Tegelijk bouwen de Amerikanen een troepenmacht op in Darwin, in het noorden van Australië. Als er iets gebeurt, zit Indonesië in het midden. Dat is reden genoeg om zelf militair sterk te willen zijn”, zegt Pane.

Indonesische officieren reppen al snel van trainingen, mensenrechten, wet, vredesopbouw en het nut van onderhandelen. Minder hoor je over de donkere kant van de krijgsmacht. Er wordt wel gefluisterd over mogelijke corruptie-affaires bij aanbestedingen.

Waar je ook weinig over hoort is het volgens mensenrechtenorganisaties brute en gewelddadige optreden van het leger op Papoea. Of over eigenrichting door militairen.

In 2009 weigerden de VS Sjamsoeddin een visum. Volgens de Amerikanen was hij in de jaren ‘90 als commandant verantwoordelijk voor slachtpartijen op Oost-Timor. In Indonesië werd hij gezuiverd door de commissies die ingesteld werden om mensenrechtenschendingen te onderzoeken. Sjamsoeddin kijkt liever vooruit. „Indonesië is een moderne democratie, daar hoort een moderne krijgsmacht bij. De krijgsmacht respecteert de democratie”, zegt hij.

    • Melle Garschagen