‘Dit is niet wat ik doe, dit bén ik’

Goudsmid René van Tol richt zich op de bovenkant van de markt. Maar „een jong manneke dat zijn vriendin ten huwelijk wil vragen zal ik niet uitwringen.”

Goudsmid René van Tol aan het werk in zijn atelier van zijn winkel Van Tol & Breet. Hij is medeoprichter en voorzitter van het Bossche Gilde van Goudsmeden. Foto Kees van de Veen

De meester herken je aan dingen die een leek niet ziet. Zoals de gouden banen op een zware armband van geoxideerd zilver. „Het lukt bijna niemand om goud op zilver te smelten”, zegt René van Tol, voorzitter van het Bossche Gilde van Goudsmeden. Inclusief het plaatsten van tientallen kleine diamantjes en een grote, asymmetrische parel kostte de armband hem 30 à 35 uur werk.

Het is een van de weinige stukken die Van Tol (63) liever niet verkoopt. Het sieraad ligt in de etalage van de winkel die hij samen met zijn vrouw Beverley Breet runt in het centrum van Den Bosch. Zij ontwerpt sieraden en hij maakt ze, in het atelier achter de winkel. Aan de gevel prijkt het bronzen logo van het gilde. Alleen goudsmeden die van de ballotagecommissie de meesterstitel hebben gekregen, mogen het gebruiken.

Het meesterschap is terug te vinden in de prijs. Een bewerkte gouden hanger met een rode Madeira-citrien (een soort kwarts) kost 1.680 euro. „Je wilt aan de bovenkant van de markt zitten, daar gebeuren de interessante dingen. Maar een jong manneke dat zijn vriendin ten huwelijk wil vragen zal ik niet uitwringen. Dat die jongen aanbelt en naar binnen durft te komen moet je belonen.”

De ballotage is de ruggengraat van het gilde, zegt Van Tol. De goudsmid die een beoordeling aanvraagt moet over tien jaar werkervaring beschikken, vijf stukken laten zien waaruit zijn technische vaardigheden blijken en bereid zijn kennis te delen met vakgenoten en leerlingen. „De titel is niet bedoeld om te laten zien dat je beter bent dan andere gildeleden”, legt de goudsmid uit. „Je moet positief naar nieuwe leden kijken en die helpen ook meester te worden.”

De goudsmeden in Den Bosch zijn geen concurrenten van elkaar, zegt Van Tol. „Ieder heeft zijn eigen klantenkring. De gemeenschappelijke vijand is de juwelier.” De meeste sieraden die daar te koop zijn, komen uit Chinese fabrieken, zegt hij.

Het gilde is in 2010 opgericht door smeden uit Den Bosch die zich zorgen maakten over de kwaliteit van het ambacht. Inmiddels zijn er bijna negentig leden in het land, en enkele uit Duitsland. „Alleen door op het hoogste niveau te werken kun je China en India voorblijven. Het kost je vijftien jaar om dat niveau te bereiken, maar als het lukt heb je een mooie toekomst.”

Er is nog altijd maar één echte vakopleiding voor goudsmeden in Nederland, en dat is de vakschool in Schoonhoven. „Daar is zoveel aandacht voor vormgeving gekomen dat het ambachtsonderwijs achteruit is gegaan”, zegt Van Tol. Sterker nog: „Het hele onderwijs in mijn vak klopt niet.” Iedereen wordt maar aangenomen, maar er zijn maar weinig leerlingen die de motivatie hebben om een echt goede goudsmid te worden, vindt hij. Zelf begon hij op zijn veertiende in een sieradenfabriek in Den Bosch. Enkele jaren later ging hij in de leer bij een atelier in Den Haag.

Van Tol woonde lang in Zuid-Afrika . „Als je daar smid wilt worden, zoek je een baas. Die geeft je wat zakgeld. Als je goed wordt gaat hij je vanzelf meer betalen. Op school krijg je zes weken voor een project, in de praktijk staat de druk van de klant erop en moet het in een halve dag af. In mijn ogen is dat de manier om het te leren..”

Een samenwerking met hogeschool Avans om een hbo-opleiding te beginnen liep enkele jaren geleden stuk door bezuinigingen. Nu werkt het gilde aan een privéopleiding van in totaal tien losse modules – van juwelenmonteur tot bedrijfskunde – die tezamen een tweejarige opleiding moeten gaan vormen. De erkenning van de hogeschool is voor Van Tol geen must meer: „We willen geen mensen erbij die er niets vanaf weten maar wel zeggen hoe het moet.”

Dat hij zich hier in zijn vrije tijd voor inspant is een kwestie van passie, zegt hij. „Dit is niet wat ik doe, dit is wat ik ben. En ik weet wat het me heeft opgeleverd: vrijheid. Elke tevreden klant is weer een schouderklopje. Dat is de toegevoegde waarde. Ik wil die beloning doorgeven aan anderen.”

Dit is het slot van een serie over vakbedrijven en de wijze waarop zij kennis overdragen.

    • Hanneke Chin-A-Fo