De bijlage die Rutte beter even kan lezen

Lees altijd de kleine lettertjes achterin. Dat geldt zeker voor de lijvige rapporten vol diepgaande analyses die het Internationale Monetaire Fonds (IMF) aan de vooravond van zijn vergaderingen produceert.

Dinsdag was er de World Economic Outlook, gisteren het Global Financial Stability Report, gevolgd door de Fiscal Monitor. Zware kost, bij voorkeur te verteren met behulp van grote hoeveelheden koffie.

Nu was dinsdag in de Outlook al opgevallen hoe laag het IMF de inflatie voor Nederland in de komende vier jaar inschat: 0,8 procent in zowel 2015, 2016 als 2017, met slechts iets meer in 2018 – te vinden in de databank die het IMF online publiceert.

Ook bleek daar dat de economische groei niet overhoudt: die kruipt maar langzaam naar 2 procent in 2018. Er staat dus een tijd voor de deur, tijdens de huidige kabinetsperiode, waarin de nominale groei (volumegroei plus inflatie) uiterst laag is.

Daaruit viel al af te leiden dat het verloop van het begrotingstekort en de staatsschuld wel eens zeer ongunstig kan gaan uitpakken – veel erger dan op dit moment nog wordt vermoed.

De statistische bijlage in de Fiscal Monitor, een lijvig document over het internationale begrotingsbeleid dat gisteren werd gepubliceerd, bevestigt nu de ergste vermoedens – vanaf pagina 69. Voor 2013 wordt voor Nederland een begrotingstekort voorspeld van 3 procent van het bbp, dat licht stijgt naar 3,2 procent in 2014. Gaat het daarna naar beneden, zoals we allemaal denken? Integendeel, het gaat omhoog: 4,8 procent in 2015, 4,9 procent in 2016, 4,7 procent in 2017 en 4,4 in 2018. Het resultaat is bedrukkend. In 2018 is ons begrotingstekort het hoogste van alle industrielanden op Japan na. Inderdaad, hoger dan dat van alle zuidelijke eurolanden inclusief Griekenland.

We zijn dan ook – niet verrassend – een van de weinige landen met een stijgende staatsschuldquote – de staatsschuld als percentage van het bbp. In 2018 is die 83,2 procent, tegen 74,4 procent in 2013. Van de industrielanden zien alleen de Tsjechen, Slowaken, Slovenen en Britten hun staatschuldquote eveneens oplopen, maar die van Nederland gaat het hardst omhoog. En als je dan toch aan het grasduinen bent: in 2018 zijn de Zweedse overheidsuitgaven voor het eerst sinds mensenheugenis even hoog als die van ons. De huidige waarde van de Nederlandse toekomstige pensioenverplichtingen en vooral van de ziektekosten torenen hoog uit boven die van de meeste andere industrielanden.

Nu kan met recht worden getwijfeld bij prognoses die zich uitstrekken tot 2018, maar vrijwel alle andere industrielanden doen het in diezelfde ramingen keurig – behalve wij. De conclusie moet zijn dat het IMF kennelijk dwars door alle Haagse plannen heen kijkt en, samen met de lage prognoses voor groei en inflatie, arriveert op de uitkomsten van hierboven. Er is eigenlijk maar één voordeel van het feit dat dit zich allemaal pas in de komende jaren afspeelt: het is nog niet te laat om er wat aan te doen.

En anders? Lees even mee: „Als de resultaten onvoldoende zijn, dan kan de Europees Commissaris een land dwingen om de financiën op orde te krijgen, bijvoorbeeld door extra belastinginkomsten. In dit stadium kunnen ook sancties worden opgelegd, zoals lagere betalingen door de Europese cohesie- en structuurfondsen, of hogere afdrachten aan de EU-begroting.”

Was getekend: premier Mark Rutte en (toenmalig) minister van Financiën Jan Kees de Jager, op de opiniepagina van de Financial Times.

Het was 8 september 2011. Toen Nederland zich midden in de eurocrisis nog onaantastbaar waande.

Menno Tamminga en Maarten Schinkel schrijven in deze column over economische ontwikkelingen