Zonder het gymnasium ben je blind in het museum

Het gym helpt ook nu nog jonge mensen vooruit. Gedreven docenten zijn de grootste kracht ervan, vindt Anton van Hooff.

Afgelopen jaren overkwam mij soms een déjà vu, als gepensioneerd invaller-leraar klassieken op het Stedelijk Gymnasium Nijmegen: mijn klas zit te zwoegen op een stukje Grieks en opeens bedenk ik dat wat hier gebeurt hetzelfde is als tweeduizend jaar geleden in hellenistisch Egypte. Ook daar braken leerlingen zich het hoofd over de weerbarstige tekst van Homeros. In de marge van hun schrijftabletten noteerden ze de moeilijke woordjes. Voor menigeen was Grieks niet de moedertaal. Maar hun ambitieuze ouders hadden hen naar het gymnasion gestuurd om voor hen de poort naar een hogere maatschappelijke positie te openen. Zo werden zij – wat papyrusteksten noemen – ‘die van het gymnasion’ (hoi ek tou gymnasiou). Taalontwikkeling is altijd de kerntaak van het gymnasium geweest. Op de kloosterschool leerden de koorknapen en aankomende priesters hun mondje Kerklatijn. Ze deden dat aan de hand van antieke, heidense teksten. In de zestiende eeuw namen de burgers het kerkelijke onderwijsinstituut over en maakten er de ‘Latijnsche School’ van. Beheersing van het Latijn was de sleutel tot de universiteit. Het lesrooster van de Latijnsche School was dan ook Latijn voor en na, omringd door enkele andere vakken. Onder invloed van het Duitse neohumanisme van Von Humboldt zetten de kwijnende Latijnse scholen zich in de loop van de negentiende eeuw om in gymnasia, met een vakkenpakket dat kon concurreren met Thorbeckes hbs. Het aantal leerlingen nam snel toe. Natuurlijk zegt kwantitatieve groei niet alles. Op sommige categoriale gymnasia zijn de eindexamencijfers voor Latijn beroerd, door de onwil van leerlingen die het gymnasium uitzitten. Ook veranderingen in de onderwijscultuur zijn debet aan de problemen. In zijn methodiek is het onderwijs in de klassieke talen nogal alleen komen te staan. Vroeger was het grammatica- en vertaalonderwijs bij alle vreemde talen in zwang. Er moesten veel woordjes worden geleerd; wie herinnert zich niet Schwere Wörter? De tegenwoordige houding van ‘we zoeken het wel op’ belemmert een vruchtbare lectuur van originele teksten. Voor mij is het vertalen niet heilig. Wat hebben we vroeger niet veel mechanisch vertaald, zonder ons af te vragen waar het om ging. De beheersing van de klassieke taal kan ook getoetst worden door een vertaling te laten vergelijken met het origineel. Het tegenwoordige eindexamenprogramma is rijker dan het oude met zijn vertaalstukjes. Kijk maar in de eindexamenbundels. Daarin worden authentieke Grieks of Latijnse teksten aangeboden, ingebed in stukken vertaling zodat de leerling zowel globaal leest als intensief. Het is wel zaak dat die authentieke stukken een meerwaarde hebben. Bij Homeros, de tragici, Ovidius of Seneca is dat goed te bereiken; bij een wijdlopige historicus als Livius is het moeilijker. Belangrijk is ook dat bij de leerling de ogen worden geopend voor de invloed die de klassieken op de Europese cultuur uitoefenen. Als je de antieke mythologie niet kent, ben je een blinde in musea en een analfabeet in de literatuur. Onderwijs in de klassieken is voor mij dus cultuuronderwijs waarbij kennis van de oorspronkelijke taal een sleutelrol heeft. Dat geldt niet alleen in de eindfase, waarin geoogst moet worden. Al in het beginonderwijs is het een vreugde voor leraar en leerling om etymologische verbanden te ontdekken. Maar ook een eerste nadenken over taalstructuren is vruchtbaar. Ik gebruik graag als voorbeeld: man bijt hond. Even knarsen onze hersens, maar op grond van de strikte woordplaatsing Subject-Verbum-Object (SVO) moet de man toch de bijter zijn. Een naamvalstaal als het Latijn kan echter door de woorduitgangen duidelijk maken wat onderwerp en lijdend voorwerp zijn. Naast de normale volgorde vir canem mordet zijn er andere mogelijkheden, zoals canem vir mordet en mordet vir canem. Ik verbind daaraan niet de les dat het Latijn superieur is; ik laat alleen zien hoe een naamvalstaal werkt.

Het Nederlandse gymnasium is afgeleid van das humanistische Gymnasium dat zich de emancipatie van de burgerij ten doel stelde. De Bildungsbürger moest door zijn brede vorming een volwaardige plaats in de maatschappij verdienen. In onze samenleving kan het gymnasium nog steeds jonge mensen vooruit helpen. Met voldoening zien we dat de gymnasia langzaam ‘zwarter’ worden doordat allochtone ouders bewust het beste voor hun kind kiezen. De kracht van het gymnasiale onderwijs zijn de gedreven leraren. Een dochter van me behoort tot ‘die van het gymnasium’. Wat ze vooral waardeert? Docenten die echt iets weten.