Wat we nodig hebben is een Pietenreferendum

Nu al barst de discussie los over Zwarte Piet. Verlos ons van deze strijd waarin de rede het aflegt tegen het sentiment, betoogt Merlijn Kerkhof.

Het is inmiddels traditie dat in de maanden voor Sinterklaas twee discussies opspelen: de vraag wanneer de kruidnoten in de schappen horen te liggen en de vraag of Zwarte Piet moet worden afgeschaft wegens racisme.

De Pietendiscussie bereikte mij dit jaar al voor ik één kruidnoot had doorgeslikt. De sympathieke anti-Pietenactivist en kunstenaar Quinsy Gario was maandagavond te gast bij Pauw & Witteman om zijn jaarlijkse beklag te doen tegen de „koloniale oprisping”. In de tweede week van oktober was Zwarte Piet al trending topic op Twitter – chapeau, Quinsy.

Voor een activist die zegt te strijden tegen de impact van Zwarte Piet, heeft Gario het wel erg veel over de ontstaansgeschiedenis van Piet. Zo weet Gario precies te vertellen wanneer Zwarte Piet voor het eerst verscheen (in 1850) en wanneer de roe van televisie verdween (1966). Hij wil zeggen: het sinterklaasfeest is vaker aangepast aan de wensen van de tijd, dus dat kan ook nu gebeuren.

Interessant, maar Gario zou zich beter kunnen richten op de perceptie van Zwarte Piet in de 21ste eeuw. Wie ontkent nou nog dat de gelaatstrekken en het gedrag van Zwarte Piet voortkomen uit oude denkbeelden over zwarte slaven? We weten nu natuurlijk beter: zwarte mensen zijn niet dommer of onhandiger dan blanken.

Dat Piet vroeger werd gezien als domme neger is pijnlijk, maar doet er niet toe zolang we hem nu niet meer zo zien. De slaaf is geëvolueerd tot vrolijke uitzendkracht van de Sint, zeggen de Piet-aanhangers. Hoewel de meeste Nederlandse huishoudens al jaren centrale verwarming hebben, vertellen we kinderen dat Piet zwart is door het roet van de schoorsteen. Piet deelt cadeautjes uit, en kruidnoten die hij vermoedelijk al in augustus bij de Aldi heeft gekocht. Zwarte Piet is door en door sympathiek – wie kan er iets tegen hem hebben?

Maar de erkenning dat deze vriendelijke Piet een relikwie is uit een racistisch verleden, is voor de tegenstanders niet genoeg. Volgens Gario ervaren veel zwarte Nederlanders Zwarte Piet als kwetsend. Ook denkt hij dat blanke Nederlanders hun Piet toch, stiekem, als domme neger zien. Piet moet weg.

Behalve de mensen die strijden voor afschaffing, mengen zich ruwweg twee groepen in het Pietendebat. De mensen die bereid zijn het gesprek aan te gaan, omdat ze geen medeburgers voor het hoofd willen stoten. En het kamp pro-Piet, waarschijnlijk het grootste, dat Piet lijkt te zien als belangrijk onderdeel van het Sinterklaasfeest, en dus van de Nederlandse cultuur.

Die kampen zijn allebei nog veel vervelender dan dat van de tegenstanders. Het eerste bracht ons de afzichtelijke, politiek-correcte Regenboogpieten. Het tweede wil überhaupt niet praten en beantwoordt alle uitnodigingen tot debat met wanstaltige argumenten („het is nou eenmaal traditie”) of dreigtweets. Waar deze boosheid vandaan komt, mogen de sociologen verklaren.

De discussie verloopt ieder jaar langs dezelfde patronen, die zich laten samenvatten door het cliché: een glas, een plas en alles bleef zoals het was. We horen steeds dezelfde (non-)argumenten, terwijl de kampen niet nader tot elkaar komen. Kunnen we er dan niet eens over ophouden? Laten we alsjeblieft de knoop doorhakken.

Laten we stemmen. Een referendum. Gaan we door of kappen we met die schmink? We spreken af dat we ons neerleggen bij de uitkomst. Natuurlijk zijn tradities niet zo makkelijk uit te roeien (zie de monarchie), maar we kunnen op zijn minst bepalen hoe we de televisie-uitzending van de intocht van Sinterklaas vormgeven.

Ja, laten we een referendum houden. Dan kunnen we in ieder geval één vervelende traditie de nek omdraaien: deze jaarlijkse strijd waarin de rede het altijd aflegt tegen het sentiment.