Veilig, saai provencialisme. Waarom Amerikaanse schrijvers geen Nobelprijs meer winnen

Toni Morrison was in 1993 de laatste Amerikaanse winnaar van de Nobelprijs voor de Literatuur Foto ANP

Wint Philip Roth, als eerste Amerikaan sinds Toni Morrison (1993), morgen de Nobelprijs voor de Literatuur? Nee, schrijft Ian Crouch in The New Yorker. ‘Steeds meer mensen komen in opstand tegen de banaliteit van ‘American suburbia’.

De eerste Amerikaanse winnaar van de Nobelprijs voor de Literatuur, Sinclair Lewis (1885-1951), had in zijn acceptatiespeech in 1930 profetische woorden voor het Amerika van toen en nu. Dat schrijft de journalist Ian Crouch in het artikel ‘Why don’t more Americans win the Nobel Prize’ in het invloedrijke Amerikaanse weekblad The New Yorker.

Lewis zei dat de Amerikaanse literatuur sinds Walt Whitman (1819-1892) en Mark Twain (1835-1910) in het slop was geraakt. Rond 1930 werden alleen architectuur en film als populaire kunstuiting serieus genomen. De auteurs die volgens Lewis wél aandacht kregen, waren vaak sentimentele patriotten (hij noemt geen namen). Een probleem, zei Lewis, omdat de Amerikaanse cultuur:

“niet genoeg degelijke producten had voortgebracht om in de diepste behoeftes van het menselijk wezen te voorzien.”

Na de toekenning van de Nobelprijs aan Lewis, schrijft Crouch, nam de Amerikaanse literatuur een vlucht. Mede dankzij alle ballingen die tijdens de Tweede Wereldoorlog en de Koude Oorlog naar het land gingen. Sinds 1930 wonnen nóg tien Amerikaanse schrijvers de belangrijkste literatuurprijs ter wereld. Te weten Eugene O’Neil (1936), Pearl S. Buck (1938), William Faulkner (1949), Ernest Hemingway (1954), John Steinbeck (1962), Saul Bellow (1976), Isaac Bashevis Singer (1978), Czeslaw Milosz (1980), Joseph Brodsky (1987) en, zoals gezegd de laatste, Toni Morrison (1993).

Tussen 1930 en 2000 won een Amerikaanse schrijver gemiddeld eens per decennium een Nobelprijs. In 2013 is het echter alweer twintig jaar geleden dat een Amerikaanse schrijver de prijs won. En een van de redenen daarvoor is dat velen zich meer en meer zijn gaan ergeren aan het banale, Amerikaanse exportproduct. Kijk naar de ophef rondom de uitreiking van The Man Booker Prize, schrijft Crouch in The New Yorker. Tot op heden maakten alleen inzendingen uit Groot-Brittannië, Ierland, Zimbabwe en landen binnen het Gemenebest (waaronder Australië en India) kans op de prijs.

Vanaf volgend jaar mogen ook Amerikanen aan de wedstrijd meedoen. Goed voor de omzet, een van de belangrijkste consequenties van de uitreiking van literaire prijzen. Vooral goed voor de Amerikaanse roman als exportproduct. Een schande volgens de Engelse criticus Philip Hensher die zich The Guardian afzette tegen de veramerikanisering van The Man Booker Prize. De prijs is volgens Hensher dé ideale filter tegen Amerikaanse literaire invloeden, een reactie die er volgens Crouch op duidt dat steeds meer mensen vinden dat buitenlandse schrijvers beschermd moeten worden tegen de banaliteit van ‘American suburbia’.

Dat er sinds 1993 geen Amerikaan een Nobelprijs voor de Literatuur won, heeft volgens Crouch veel te maken met die kritiek van Hensher. Velen zijn de uitreiking van de prijs gaan zien als een referendum over de Amerikaanse literaire hegemonie. En velen komen tegen die hegemonie in verzet. Zo stelde toenmalig secretaris van de Zweedse Academie, de in 2009 afgetreden Horace Engdahl, in 2008 dat de Amerikaanse literaire scene ‘te geïsoleerd’ is, ‘teveel een eiland’:

“Ze vertalen niet genoeg en doen niet echt mee aan de grote dialoog over de literatuur. Die onwetendheid werkt contraproductief.”

Die kritiek is volgens Crouch meer dan terecht. Een kleine drie procent van de boeken die in Amerika uitkomt, betreft vertalingen. In 1930 zei Sinclair Lewis nog dat Amerika moest loskomen:

“van dat veilige, gezonde en ongelofelijk saaie provincialisme.”

In 2013 staat Amerika volgens Crouch voor diezelfde uitdaging.

Morgen om 13:00 wordt de winnaar van de Nobelprijs voor de Literatuur bekendgemaakt.

    • Roderick Nieuwenhuis