Lyrische impressies leiden tot boek

In 1993 maakte schrijfster Donna Tartt op verzoek van deze krant aantekeningen van haar bezoek aan Amsterdam. Een bloemlezing toont hoe ze putte uit deze notities voor haar boek Het puttertje.

Handgeschreven impressies van Amsterdam door Donna Tartt (1993).

Donna Tartt in Het puttertje (2013): „Uiteindelijk wist ik, door mensen aan te spreken (blakende huisvrouwen met bossen bloemen in de armen, hippies met nicotinevlekken en randloze brillen), via bruggen en smalle spookachtig verlichte straatjes weer bij mijn hotel te komen.” Dezelfde schrijfster in 1993: „Iedereen in Nederland lijkt even aantrekkelijk – gezonde, blozende, frisse gezichten.”

Twintig jaar geleden was Donna Tartt voor het eerst in Amsterdam. Ze verklaarde haar liefde voor de stad in het Hollands Dagboek van deze krant. Haar lyrische, met de hand geschreven impressies lijken sterk op de Amsterdamse passages in haar jongste boek Het puttertje. In hoofdstuk 11, getiteld De Herengracht, verblijft de hoofdpersoon in een hotel dat overeenkomst vertoont met schrijvershotel Ambassade aan diezelfde gracht.

„Vanaf de eerste keer dat ik hier kwam, hield ik van Amsterdam”, verklaarde Tartt onlangs in een interview in de Volkskrant. „Met de gedeelten van mijn boek die in deze stad spelen, begon ik al twintig jaar geleden in aantekenboeken. Dingen die ik op straat zag. (...) De gevoelens van Theo Decker, de hoofdpersoon van The Goldfinch, als hij voor het eerst in Amsterdam is, stammen rechtstreeks uit mijn aantekeningen van 1993.”

In de aantekeningen die ze van 8 tot en met 12 maart voor NRC Handelsblad maakte, beklaagt ze zich over haar publicitaire verplichtingen, waardoor ze nauwelijks tijd heeft hotel Ambassade te verlaten: „Zo frustrerend om hier in het hotel opgesloten te zitten. Ik voel de Van Goghs branden aan de andere kant van de stad, al die Vermeers die zachtjes gloeien in het Rijksmuseum en mijn naam fluisteren.”

Ze vindt haar genot dichterbij: „Ik werd vanmorgen gewekt door stoffig geel licht dat door de gele moiré gordijnen scheen. (…) Mijn hotelkamer kijkt uit op de Herengracht. Het is gek, maar ik zie drie prachtige, prachtige parallelle banen glinsterend licht – een bronzen, een zilveren en een gouden baan – die nergens vandaan lijken te komen en in feite als door een wonder aan de zwarte diepten van de gracht lijken te ontspringen.”

De volgende morgen: „Schitterende, schitterende dag vandaag. Fleurige bloemenstalletjes, prachtig aardewerk in de etalages, gele trams en fietsen.” In Het puttertje wordt ook een zonnige dag bezongen: „De zon was gaan schijnen en de grachten hadden iets schels; je ademde klatergoud. Meeuwen doken krijsend omlaag.”

Na een rondvaart noteert ze in 1993: „Mooie, lage bruggetjes, woonboten, vochtige, bemoste bakstenen op de waterlijn. In Amsterdam is zoveel water dat ik soms, als ik ’s nachts in bed lig en de gracht buiten donker glinstert en de golfjes van het water op het plafond weerkaatsen, het gevoel heb dat ik me niet in een hotel maar op een boot bevind; ik voel mijn bed haast zachtjes onder me deinen.”

In Het puttertje wordt het hotel eveneens een boot, en de kamer een kajuit: „In hoogglanzende bootlak gezette inbouwkasten (boven mijn bed en onder de dakbalken) met keurig verzonken koperbeslag. Scheepstimmerwerk: zwalkend dek, water – het zwarte gratenwater – dat aan de huid likte.”