Expo eert 200 jaar Nederlandse strip

Museum Meermanno in Den Haag brengt 200 jaar strip in Nederland in beeld, aan de hand van de collectie van verzamelaar Hans Matla.

Hans Matla is verbijsterd. De grootste verzamelaar van Nederlandse strips heeft zojuist een stripboek gezien dat niet in zijn verzameling zit. Zijn collectie is zo goed als compleet, maar nu slingert er in het leeszaaltje voor kinderen van Museum Meermanno zo maar een strip die hij niet heeft. „Ongelofelijk.”

In het Haagse museum opende onlangs de expositie Strips! 200 jaar Nederlands Beeldverhaal, met onder meer veel unica uit zijn collectie. Die collectie omvat circa 27.000 Nederlandse stripboeken – 45 ton papier en 600 meter boekenkast – en ruim 100.000 Nederlandse striptijdschriften.

Met de compacte tentoonstelling en het bijbehorende rijk gevulde boek is Matla (1949) in zijn nopjes, vertelt hij bij een rondgang langs de vitrines. Zijn opwinding begint bij de originele brief met tekeningen van de graaf van Meurs aan de hertog van Gelre uit 1493, met de allereerste tekstballon. „Zo’n ballon ontstond spontaan. Het is tekst toewijzen. Ziet er logisch uit.”

Verrukt is hij over een 17de-eeuwse ‘centprent’, een tekening die een cent kostte. „Ik heb er ook een stuk of zestig, maar niet zo’n oude.”

Het tweehonderdjarig jubileum van de strips is nogal losjes gekozen. Uit 1813 zijn wel prenten van de aankomst van koning Willem I, maar een strip is er niet. In feite gaat het om 155 jaar. Matla: „Reizen en avonturen van mijnheer Prikkebeen uit 1858 is het eerste Nederlandse stripboek. Deze Töpffer-bewerking en vertaling van Jan Gouverneur is opgezet als feuilleton in beelden en voldoet aan de definitie van een strip: een reeks grafische voorstellingen die zodanig ten opzichte van elkaar zijn geplaatst dat ze samen een voortschrijdende handeling verbeelden.”

Veel van de eerste strips zijn nog brave kinderverhaaltjes. Daar komt verandering in met Bulletje en Boonestaak (1922). „Een gruwelijks strip”, zegt Matla, „met kots en viezigheid. De makers, Van Raemdonck en De Jong, waren die softe strips zo beu dat Bulletje en Boonestaak in de eerste aflevering naar Londen gaan om de populaire striphelden Jopie Slim en Dikkie Bigmans op hun bek te slaan. Prachtig!”

Zijn collectie bouwde Matla op als eigenaar van stripantiquariaat Panda. De verzameling ging voor, de klant had tweede keus. „De mooiste exemplaren die in de winkel voorbij kwamen hield ik zelf. Daarom is de kwaliteit van mijn collectie bizar hoog.” De periode 1945 tot 1975 noemt Matla de Golden Age. De Nederlandse strip wordt volwassen, met Dick Bos en Kapitein Rob. En met dank aan de tekenaars, die Matla de Grote Twee noemt, Hans Kresse en Marten Toonder. „Kresse is absolute top, een grafisch grootmeester!”

Van Toonder, die Matla net als Kresse nog steeds ook zelf uitgeeft, is er veel te zien op de tentoonstelling. De Toonder Studio’s produceerden veel onder zijn naam. Matla: „Toonder heeft misschien wel 200 mensen de gelegenheid gegeven het vak te leren en uit te diepen.”

Tussen 1975 en 2000 ebde de creativiteit weg, aldus Matla, maar sindsdien ziet de striphistoricus „een geweldige explosie van kwaliteit”, in graphic novels en bij tekenaars als Maaike Hartjes, Margreet de Heer en Hanco Kolk. „Het is niet mijn tijd, maar ik ben een oude man. Ik wou dat ik weer 20 was! Maar ik verzamel natuurlijk wel alles...”

‘Strips! 200 jaar Nederlands Beeldverhaal’, in Museum Meermanno, Den Haag. T/m 12/1/14. Boek zelfde titel, Lecturis, € 39,50.

    • Ron Rijghard