De mannelijke blik is terug

Drie vrouwen tegen een man: kan een heteroman anno 2013 wel een lesbisch liefdesdrama maken?

Waar het bezoedelen begon? Regisseur Abedellatif Kechiche was vorige week zo gedeprimeerd door alle controverse rond La vie d’Adèle dat ze zijn besmeurde film wat hem betreft niet hoefden uit te brengen.

De schade valt vermoedelijk mee, al valt het op hoe gretig zijn critici dit bijna drie uur durende, hypersensitieve meesterwerk reduceren tot 7 minuten en 48 seconden lesbische seks. Want over die scène struikelde de 27-jarige Julie Maroh, auteur van de grafische roman waarop La vie d’Adèle is gebaseerd. Zij noemde het een „grove en klinische vertoning, uitzinnig en koud”: porno dus. Wat miste, aldus Maroh, waren lesbiennes op de set. Achteraf bleek dat om één lesbienne in het bijzonder te gaan: Maroh was boos dat Kechiche haar nooit had uitgenodigd en niet noemde in zijn dankwoord bij de Gouden Palm in Cannes.

Dan was er critica Manhola Dargis van The New York Times, in wier beleving de gewraakte seksscène twintig minuten duurde. Zij bewerkstelligde de wedergeboorte van een half vergeten term uit de feministische filmtheorie: ‘the male gaze’. La vie d’Adèle zette Dargis weg als „zelfbevredigingsfeest”; Kechiche zou „onbewust, of door gebrek aan interesse, harde vragen negeren over de representatie van het vrouwelijk lichaam die feministen al decennia stellen”. Voor hem zijn de kronkelende vrouwenlichamen slechts lustobjecten, aldus Dargis.

Daarna volgde de dolkstoot van actrice Léa Seydoux, die haar eigen stervehikel torpedeerde door Kechiche vorige maand als wispelturige slavendrijver neer te zetten, en de opname van de seksscène als gênante vertoning die zich tien dagen voortsleepte.

Drie vrouwen tegen een man: is het in het kader van identiteitspolitiek anno 2013 niet gewoon onmogelijk om als heteroman een lesbisch liefdesdrama te filmen? „Hij filmt met zijn lul”, hoorde een Amerikaanse criticus een boze vrouwelijke collega in Cannes zeggen. Zit die lul niet altijd in de weg?

Tot zover heeft La vie d’Adèle een mini-debatje over ‘the male gaze’ ontketend. Dargis sloot haar stuk af met een citaat uit 1972: „Mannen kijken naar vrouwen, vrouwen kijken naar zichzelf terwijl ze worden bekeken.” Die notie werd in 1975 uitgewerkt door Laura Mulvey in het invloedrijke essay Visual Pleasure and Narrative Cinema. Mulvey stelde dat klassieke (Hollywood)films drijven op mannelijk voyeurisme. De vrouw wordt door point-of-view shots gevangene van een starende blik van haar tegenspelers en de toeschouwers. Maar dat voyeurisme is altijd gemengd met freudiaanse castratieangst, die aanzet tot controle. Die ‘patriarchale esthetiek’ is slechts te doorbreken door „vernietiging van het plezierprincipe”, aldus Mulvey. Het weren van schoonheid en wellust.

In de notie dat geil per definitie niet koosjer of artistiek kan zijn, vonden puritanisme en feminisme elkaar in de jaren zeventig. Seks verdween nadien bijkans uit Hollywoodfilms, waar het niet verkoopt – hoe hoger de leeftijdsgrens, hoe lager de recette. En uit kunstfilms, totdat regisseurs als Breillat, Dumont, Denis en Von Trier eind vorige eeuw porno herintroduceerden, steevast in een grauwe, gewelddadige of provocatieve context. Seks die opwindt, blijft kitsch of porno – het plezierprincipe is grondig vernietigd.

De woede van Kechiche, die seks de centrale rol durfde geven die het in een liefdesdrama verdient, is begrijpelijk. Hij is afgeserveerd als pornograaf, en na alle kritiek kan je de gewraakte scène niet onbezwaard zien: de illusie is kapot. Hem verwijten dat hij „problemen rond de representatie van het vrouwelijke lichaam” negeert, is een gotspe: zijn vorige film, Vénus Noire, volgde zeer confronterend de lijdensweg van Saartje Baartman, de ‘Hottentot Venus’ die in de 19de eeuw als naakte kermisattractie object werd van nieuwsgierige blanke lust. En La vie d’Adèle speelt continu met kijken en bekeken worden: als wij Adèle objectiveren, doet haar minnares Emma, die haar als muze en odalisk gebruikt in haar schilderijen, dat eveneens. Wel hebben critici een punt dat de film soms een wensdroom van Kechiche lijkt. Zo is er de suggestie dat de toekomst van de warmbloedige, biseksuele gevoelsvrouw Adèle ligt bij een gevoelige Arabische man – Kechiches alter ego? En daar scheert hij akelig dicht langs het cliché dat lesbische liefde voor ‘echte vrouwen’ niet meer is dan een onschuldig experiment tot de ware man langskomt.