Wat wil het kabinet nou met onze pensioenen?

Vandaag spreekt de Eerste Kamer met het kabinet over de pensioenen Belangrijk voor de burger en belangrijk voor de coalitie, want er staat een miljardenbezuiniging op het spel Vier vragen over ons pensioen

Verslaggever

De Eerste Kamer spreekt vandaag over de pensioenplannen van het kabinet. Voor iedereen die niet weet wat die plannen inhouden, of die het wel wist maar het weer is vergeten, hier een poging tot uitleg, aan de hand van vier vragen.

Hoe zit ons pensioenstelsel in elkaar?

Het Nederlandse pensioenstelsel bestaat uit drie belangrijke elementen, die doorgaans ‘pijlers’ worden genoemd:

Pijler 1: de AOW

Pijler 2: de pensioenopbouw via je werkgever

Pijler 3: extra pensioenopbouw die je zelf kunt regelen

Deze pijlers blijven gewoon overeind in de plannen van het kabinet, daarin komt geen verandering. Wat wel verandert is het geld dat er maximaal in de pijlers 2 en 3 mag zitten.

Voor pijler 1 verandert er niets. De AOW (de Algemene Ouderdomswet) is een soort basisinkomen voor ouderen. De premie voor de AOW wordt door de Belastingdienst ingehouden via de loonbelasting. Om een idee te krijgen: de hoogte van de AOW-uitkering is op dit moment bijna 1.100 euro per maand bruto voor alleenstaanden en 750 euro bruto voor samenwonenden.

Omdat 1.100 of 750 euro niet echt bedragen zijn waar je van kunt rondkomen als je gewend bent aan een uitgavenpatroon dat hoort bij een modaal inkomen (iets meer dan 2.500 euro) of bijvoorbeeld twee keer modaal, sparen de meeste werknemers in Nederland (verplicht) bij via een pensioenfonds. Dit heet een aanvullende pensioenregeling: aanvullend op de AOW-uitkering.

Werknemers die deelnemen aan een pensioenregeling, dragen maandelijks een premie af – net als hun werkgever. De pensioenpremie wordt bepaald door een vrij ingewikkelde rekensom. De ingrediënten van die som zijn onder andere: de verwachte gemiddelde leeftijd van overlijden (moet er na je 67ste nog 8 jaar pensioen worden uitgekeerd of 20 jaar?), het verwachte rendement van de beleggingen van pensioenfondsen in de komende x-aantal jaren en natuurlijk hoeveel de werknemer de komende jaren gaat verdienen. (En dan is ook nog van belang of je een middelloonregeling of een eindloonregeling hebt, maar dat laten we maar even zitten.)

De pensioenpremie, die wordt ingehouden via de loonstrook, is fiscaal gunstig. Als je dat geld rechtstreeks uitbetaald zou krijgen, zou je er belasting over moeten betalen. Maar over wat je bij een pensioenfonds stort, betaal je geen belasting. Je betaalt pas belasting op het moment dat je je pensioen ontvangt, dus na je 67ste. Dat is gunstig, want waarschijnlijk val je als gepensioneerde in een lagere belastingschijf.

Wie nog niet genoeg denkt te hebben aan AOW + aanvullend pensioen, kan zelf nog bijsparen, via een speciale pensioenspaarregeling bij bijvoorbeeld een bank: pijler 3. Ook dat kan vaak belastingvrij (de inleg op zo’n spaarrekening mag je aftrekken van je inkomstenbelasting en als je met pensioen gaat moet je belasting betalen over wat je daarvan gaat ontvangen). Er is wel een maximum aan het bedrag dat je belastingvrij mag sparen – zoek dat zelf maar even uit op de site van de Belastingdienst, via de term ‘jaarruimte’.

Wat wil het kabinet veranderen per 2015?

Het kabinet wil de belastingaftrek van de pensioenpremies in pijler 2 en pijler 3 beperken. (Dit wordt vandaag in het debat in de Eerste Kamer waarschijnlijk vaak het ‘Witteveenkader’ genoemd, vernoemd naar de inmiddels overleden Dirk Witteveen die de regeling heeft opgesteld).

Het gaat in het debat om percentages: nu is het maximale opbouwpercentage voor bijvoorbeeld de middelloonregeling 2,15, dat wordt 1,75. (En dat is niet een percentage van je loon, maar een percentage van het pensioen wat je uiteindelijk opbouwt – ingewikkeld ja, maar zo is het nu eenmaal.)

Het kabinet denkt dat dit percentage naar beneden kan, omdat we langer doorwerken, en dus meer jaren bezig zijn met het opbouwen van ons pensioen.

Dezelfde regeling heeft invloed op pijler 3: daar kan straks – als het aan het kabinet ligt – minder belastingvrij op worden gestort op de geblokkeerde spaarrekening.

En voor mensen die meer dan 100.000 euro verdienen is er nog een extra verandering: voor het deel boven die ton mogen zij helemaal geen premie meer aftrekken.

Waarom heeft het kabinet deze veranderingen bedacht?

De pensioenhervorming moet het kabinet vanaf 2015 jaarlijks 1,5 miljard opleveren en in 2017 eenmalig zelfs nog 3 miljard. Het gaat dus om een flink bedrag.

Hoe komt het kabinet aan dat geld? Als er minder belastingvrij kan worden gespaard, moeten we meer belasting betalen: extra inkomsten voor de staat dus.

Wat gaat de oppositie vandaag zeggen?

Veel partijen maken zich zorgen over de vraag of de pensioenfondsen hun premies wel daadwerkelijk gaan verlagen. Veel fondsen voelen weinig voor lagere premies, en ze mogen zelf beslissen of ze de premies verlagen. Het kabinet kan dus wel zeggen dat ‘de aftrekbaarheid van de pensioenpremies lager wordt’, maar het kabinet is uiteindelijk ook afhankelijk van besluitvorming bij pensioenfondsen. En als de premies niet worden verlaagd, betekent dat voor de werknemers dus een lastenverzwaring.

De oppositie vraagt zich vooral af waarom het kabinet geen garanties heeft gevraagd dat de premies daadwerkelijk dalen.

Als de Eerste Kamer het kabinetsplan afwijst, is dat een zeer grote tegenvaller voor het kabinet, omdat een belangrijk begrotingsonderdeel dan sneuvelt. In de Tweede Kamer stemde afgelopen zomer de hele oppositie tegen de pensioenhervorming. En zoals bekend heeft die oppositie in de Eerste Kamer een meerderheid.

Lees ook over de pensioendiscussie op pagina 19

    • Peter Leijten