Onderwereld vol stuiptrekkende barbies

Foto Monika Rittershaus

Waarom zie je Armide van Gluck zoveel minder dan diens twee Iphigénie-opera’s, Alceste of Orfeo? Aan de muziek ligt het niet. Eerder is het curieuze libretto het struikelblok, met een tovenares als hoofdpersoon van een liefdesplot vol droom en allegorie.

Bij De Nederlandse Opera waren Glucks andere grote opera’s recentelijk te zien. Voor Armide (in iets bekorte versie) werd regisseur Barrie Kosky aangetrokken – de succesvolle intendant van de Komische Oper Berlin die onder zijn leiding net tot Operahuis van het Jaar werd verkozen.

Neus voor camp, lange adem: voor de inventieve Barrie Kosky is Armide geen horde maar een springplank. Het eenheidsdecor van Katrin Lea Tag, met wie hij eerder samenwerkte in een twaalf uur durende Monteverdi-cyclus, is op zich spaarzaam: een rotsig eilandje met één boom, waar pas later een tweede landschap achter blijkt schuil te gaan. Die scène, halverwege de tweede akte, is ook meteen het poëtisch hoogtepunt: echte regen sproeit in naar lente geurende nevelguirlandes naar beneden.

Zulke vondsten gaan gepaard aan een knappe en gedetailleerde personenregie. Zelfs de ongeloofwaardige liefde tussen Armide en haar ex-doodsvijand Renaud kruipt toch onder je huid, door de tederheid waarmee hij haar aan het eind van de derde akte in stilte omvat.

De keerzijde daarvan is dat Kosky ook de campy nachtmerriepotentie van het verhaal niet onbenut laat, waardoor het geheel zwalkt tussen uitersten. Zo huizen er in de onderwereld stuiptrekkende barbies, gaat Armides poging tot het uitroeien van haar verliefdheid gepaard met een uit het decolleté getrokken brok orgaanvlees dat tot bloedens toe wordt uitgeknepen en worden haar doemvisioenen luguber tastbaar in een aan de strop bungelende Armide-pop. En dan is de blote adonis op een bloedend paard (de letterlijke nachtmerrie) nog niet eens genoemd. Kosky grossiert gul in beklijvende, Jeroen Bosch-achtige beelden, maar het more is more van zijn theatertaal komt de begrijpelijkheid en balans niet altijd ten goede. Gespecialiseerde barokorkesten zijn een luxe die De Nederlandse Opera zich niet meer veroorlooft. In de bak zit nu het Nederlands Kamerorkest onder Ivor Bolton, die er niet steeds in slaagt orkest en zang (solisten en het krachtig zingende koor) in de pas te laten lopen. Jammer, want het orkest realiseert na de wankele ouverture wel gedetailleerd spel, met fraaie soli in Glucks overdaad aan prachtige melodieën.

Armide is een éénvrouwsopera, door sopraan Karina Gauvin warm en in toenemende mate krachtig en imponerend gebracht, al hadden een tikje meer waanzin en extremiteit de muziektheatrale slagkracht misschien nog vergroot. In haar gevolg cirkelen vele bijpersonages, onder wie een sterke Karin Strobos en mooi licht zingende Henk Neven. Mezzo Diana Montague is een hypercharismatische belichaming van De Haat en de (verkouden) tenor Frédéric Antoun (Renaud) bezit een mooi slank en kernachtig geluid.

Armide is een opera om te gaan zien: om Glucks prachtmuziek en voor Barrie Kosky’s theatertaal – niet zozeer om de mix van beide. Het is te hopen dat De Nederlandse Opera hem terugvraagt voor een onweerstaanbare operette.