Luid bejubeld, redelijk gepresteerd

Het Nederlandse wielerjaar was behoorlijk. Maar overwinningen in de echt grote koersen ontbraken

Getalsmatig was het in orde. Nederlandse wielrenners wonnen dit jaar – met alleen de Ronde van Peking nog op komst – drie van de 29 wedstrijden in de World Tour, de hoogste internationale divisie van het wielrennen. Dat was sinds de invoering van zo’n overkoepelende competitie, in 2005, nog niet voorgekomen. Nog eens drie Nederlanders wonnen een etappe in een meerdaagse World Tour-koers.

Bovendien staan de beelden nog op het netvlies van het olijke duo ‘Bau’ en ‘Lau’, Bauke Mollema en Laurens ten Dam, die de natie hoop gaven met hun strijd om het klassement in de Tour de France. Vooral dankzij hen is de publieke belangstelling voor de sport weer opgeleefd, na een jaar vol dopingperikelen.

Het gaat dus goed met het Nederlandse wielrennen. Zou je zeggen.

Maar de World Tour is opgedeeld in belangrijke en minder ter zake doende koersen. De Nederlanders wonnen geen grote ronde of belangrijke klassieker. Tom-Jelte Slagter was de beste in de Tour Down Under, Pieter Weening schreef de Ronde van Polen op zijn naam en Robert Gesink won de Grote Prijs van Québec. Wel knap, niet wereldschokkend.

In de Tour stonden Mollema en Ten Dam op een zeker moment respectievelijk tweede en vierde, maar ze eindigden als zesde en dertiende. Zeker de prestatie van de 26-jarige Mollema biedt hoop op meer. Maar de gekte was alleen in Nederland losgebarsten. Elders wordt de Groninger beschouwd als een prima subtopper.

En dan was er nog het verdwijnen van een van de drie Nederlandse ploegen op het hoogste niveau. Vacansoleil kon geen nieuwe sponsor vinden. Dit is volgens Frank Kwanten, commercieel manager van de teloorgaande ploeg, nadelig voor de kansen van jonge Nederlandse renners. Een nieuwe Mollema, zegt hij, redt het wel. „Maar Vacansoleil gaf kansen aan coureurs die anders misschien geen prof waren geworden. Jongens als Pim Ligthart en Rob Ruijgh werden in het diepe gegooid. Daardoor zijn die jongens doorgekomen.”

Dat verdwijnt, aldus de commercieel manager – ook doordat de andere twee Nederlandse ploegen de leemte niet opvullen. „Argos is internationaal georiënteerd, Belkin heeft wegens doorlopende contracten weinig ruimte voor jonge talenten.”

Rondemissen

Ziet Kwanten het derhalve somber in? Allerminst. „De Nederlanders zijn veelzijdiger dan ze lange tijd zijn geweest. We hebben sprinters, met Barry Markus en Theo Bos. We hebben klimmers, zoals Mollema en Robert Gesink. We hebben eendagsspecialisten als Niki Terpstra. En ook Wilco Kelderman, Tom Dumoulin en Wout Poels kunnen goede uitslagen rijden.”

Goede uitslagen, daar heeft Kwanten gelijk in. In Québec bijvoorbeeld, waar Gesink won, haalden ook Terpstra en Slagter de toptien en dus punten voor de World Tour. Nederland staat vijfde in het landenklassement, nog voor Frankrijk en België.

Maar toch. Nederlanders winnen niet in Vlaanderen, Roubaix of Luik. Ze dragen het geel niet en worden evenmin gekust door Franse rondemissen. De ritwinst van Mollema in de Vuelta was een schaars hoogtepunt in een koers die ertoe doet.

Schaduwkopman

Daar is Hennie Kuiper, oud-winnaar van vier van de vijf ‘monumenten’ onder de klassiekers, het niet helemaal mee eens. „Wat is een grote koers? De World Tour is toch wel iets. Winnen op dat niveau is hartstikke moeilijk. Zo was de Ronde van Polen dit jaar enorm zwaar. Pieter Weening wint gewoon. Die jongen wordt onderschat.”

Wel is het zo, erkent ook Kuiper, dat een overwinning in een monumentale klassieker lang op zich laat wachten. Maar vergeet niet, zegt hij, dat het wielrennen veel mondialer is geworden. „Het is met die buitenlandse concurrentie veel moeilijker voor een Nederlander om zo’n koers te winnen dan het voor mij was, in de jaren tachtig.”

Kwanten ziet ook gunstige tendensen. „Voorheen gingen Nederlandse jongens naar een buitenlandse ploeg om te knechten. Nu zie je dat ze meer voor hun eigen kans mogen gaan. Zie Terpstra, die bij Quickstep wordt ingezet als schaduwkopman voor de klassiekers. En in de Tour reden bij Belkin twee Belgen voor een goede klassering van Mollema en Ten Dam.”

De Nederlanders moeten simpelweg geduld en wat geluk hebben, stelt Kwanten. „Vaak worden de grote koersen gewonnen door wereldtoppers, en een enkele keer door een subtopper. Terpstra, Mollema en Gesink reken ik tot die tweede groep. Dat gaat binnen één of twee jaar een keer de goede kant op vallen.”

Kuiper tipt Lars Boom als toekomstig winnaar van Parijs-Roubaix. „Dat zou hartstikke mooi zijn.”

    • Derk Walters