.... in de spaarpot van jongeren

Solidariteit is een mooi beginsel. Pensioenfondsen spreiden het financiële risico van ouder worden. Maar de boekhoudregels van pensioenfondsen hebben niets met solidariteit en risicodeling te maken. Ze zijn nadelig voor de huidige 50-minners. De fondsen dienen de belangen van de vergrijsde vakbonden.

Iedereen die zich zorgen maakt over de financiële gezondheid van zijn pensioenfonds informeert naar de dekkingsgraad: de verhouding tussen bezittingen (het totale kapitaal) en de verplichtingen (jouw pensioen!) van het fonds. Een dekkingsgraad van boven de 100 procent stelt mensen gerust: er zit kennelijk meer in kas dan eruit gaat. Maar dit cijfer is nietszeggend. Zoals je nu niet kunt rondkomen van een salaris uit 1980, zo kan een 40-jarige van nu over dertig jaar niet rondkomen met zijn pensioen van vandaag. Inflatie halveert die bedragen in dertig jaar.

Een beter uitgangspunt is de reële dekkingsgraad. Hierbij staan bezittingen tegenover waardevaste pensioenen, gecorrigeerd naar inflatie. Dan blijkt dat veel fondsen een schamele 80 procent dekkingsgraad overhouden. Dan is er voor iedere ingelegde euro maar 80 cent in kas voor pensioenuitkering. Intussen blijven de fondsen aan de huidige ouderen gewoon hele euro’s uitkeren. Dit betekent dat straks voor huidige generaties jongeren nóg minder overblijft dan die 80 cent.

Er is maar één manier om deze scheefgroei op te lossen: voortaan moeten we kijken naar de reële dekkingsgraad en de pensioenuitkering van oud en jong daarop afstemmen. Dit zal flink schrikken zijn voor mensen die nu pensioen ontvangen, maar zo wordt het tekort wel eerlijk verdeeld over generaties.

Ook de huidige manier om pensioenrechten te berekenen, is ongunstig voor jongeren. Stel: Joris verdiende vorig jaar 45.000 euro. Vanaf zijn pensionering zou hem dit ieder jaar bruto 600 euro opleveren, door zijn inleg in 2012. In deze som ontbreekt de leeftijd van Joris. Dat is vreemd. Want hoe langer je geld opzij zet, hoe langer het kan renderen. Als Joris bijna met pensioen gaat, kan het pensioenfonds nog maar weinig rendement maken op zijn storting, terwijl dat bij een jonge Joris nog veertig jaar lang mogelijk is. In die 40 jaar zou met het geld – bij een bescheiden rendement van 4 procent per jaar – in totaal 380 procent te maken zijn.

Per saldo krijgen mensen onder de vijftig straks te weinig pensioen voor hun betaalde premies en mensen boven de vijftig te veel. Dat zou niet zo erg zijn als iedereen z’n leven lang bij hetzelfde pensioenfonds zou blijven. Dan zouden de jaren waarin mensen te weinig pensioenrecht opbouwen ten opzichte van hun inleg gecompenseerd worden door de jaren waarin ze te veel pensioenaanspraak krijgen. Als je echter voor je vijftigste een pensioenfonds verlaat, dan mis je die goede jaren. Er zijn echter nog maar weinig mensen die hun hele leven bij hetzelfde pensioenfonds blijven, bijvoorbeeld omdat ze na hun vijftigste zelfstandig gaan ondernemen.

Samengevat is de rare rekenmethode die veel pensioenfondsen hanteren achterhaald en oneerlijk. Het is redelijk te verwachten dat de hoogte van je pensioen afhankelijk is van wat je hebt ingelegd. Zolang dat niet wordt rechtgetrokken, subsidiëren de jongeren de ouderen – zonder dat dit aan hen is verteld.

Als we (pensioen-)geld moeten herverdelen tussen verschillende bevolkingsgroepen (leeftijdsgroepen), dan is dat de taak van de overheid, waarvoor democratische spelregels gelden. Pensioenen herverdelen via boekhoudkundige regels van de fondsen geeft geen pas. Zolang de vergrijsde vakbonden hun krachtige greep op de pensioenfondsen handhaven en het eigenbelang voorop stellen, hebben 50-minners weinig goeds van hun toekomstige pensioen te verwachten.

    • Martijn Huijnen