Gemeente krijgt macht over elk gezinsprobleem

De nieuwe Jeugdwet plaatst een almachtige gemeente tegenover kwetsbare ouders. Die krijgen nauwelijks bescherming. Ongelooflijk, vindt hoogleraar Ido Weijers.

Je kunt beter verdacht worden van een misdrijf dan van falen in de opvoeding. Dat zal niet anders zijn onder de nieuwe Jeugdwet, die morgen in de Tweede Kamer wordt besproken. Dat zegt Ido Weijers, hoogleraar jeugdbescherming aan de Universiteit Utrecht. Hij heeft het dan over de gebrekkige rechtsbescherming van families die vrijwillige of gedwongen hulp krijgen bij de opvoeding. „Er is geen enkele aandacht voor de rechtspositie van families.”

Dat is onbegrijpelijk, vindt hij, omdat er nu al veel problemen zijn op dit punt, én omdat de situatie ingrijpend verandert, ten nadele van de ouders. „Er komt veel macht bij de gemeente, en de wet stelt daar niets tegenover.”

De gemeente wordt verantwoordelijk voor alle jeugdzorg, die nu nog deels landelijk of provinciaal wordt verleend: van vrijwillige opvoedondersteuning, jeugdreclassering, uithuisplaatsingen tot psychiatrie. De bedoeling van de wet is dat gemeenten eerder ingrijpen en laagdrempelige hulp bieden, om zwaardere maatregelen in een later stadium te voorkomen. Ook moet er een einde komen aan de versnippering van de hulpverlening.

Die centrale positie van gemeenten is riskant, zegt Weijers. De gemeente heeft te maken met allerlei aspecten van het leven van probleemgezinnen – bijstand, wonen, overlast, gezondheid, problemen met de kinderen. Volgens Wijers vinden gemeenten dat ze de bevoegdheden en informatie daarover bij elkaar kunnen vegen en voor alle problemen kunnen gebruiken. Omdat de bedoeling is dat problemen in samenhang worden aangepakt, zonder de ‘bureaucratische poespas’ van juridische procedures.

Bemoeizorg

Dus de gezinscoach die komt praten over schuldhulpverlening, kijkt ook even rond en vraagt of de kinderen wel altijd naar school gaan – en waarom ze zo laat nog alleen buiten zijn. Als er redenen zijn tot zorg, stelt de coach een plan van aanpak op. Op basis van vrijwilligheid, maar in de wetenschap dat de gemeente anders zwaardere maatregelen kan nemen, zoals kinderen onder toezicht laten stellen, of uit huis plaatsen. Drang, noemen gemeenten dit, of bemoeizorg.

Advocaat Reinier Feiner ziet in de praktijk al dat gemeenten drangmaatregelen toepassen. Onlangs maakte hij mee dat een vrouw die een nieuwe woning afwees wegens de slechte buurt, door de gezinsvoogd gedreigd werd met een korting op haar uitkering. Ook ziet hij vaak dat kinderen door een interventieteam van de gemeente uit huis worden geplaatst, in een instelling, zonder dat er ooit een rechter aan te pas komt. Dat kan als de ouders instemmen. En dat doen ze volgens Feiner vaak uit angst. „Alle ouders zijn bang voor jeugdzorg. En niet ten onrechte, want hulp weigeren wordt gezien als een ernstige aanwijzing dat kinderen thuis niet veilig zijn.” Een ander gevaar is dat de belangen bij de gemeente door elkaar lopen, want de gemeente is ook verantwoordelijk voor de openbare orde, zegt advocaat Feiner. „Ik vrees dat in toenemende mate sprake zal zijn van doelvervaging, waarbij bijvoorbeeld de openbare orde vooropstaat en niet de belangen van de kinderen.”

Stomverbaasd

In dit stadium hebben ouders geen recht op vergoede juridische bijstand. „Terwijl er wel allerlei ingrijpende beslissingen genomen worden, vaak onder de voor ouders moeilijk in te schatten dreiging van zwaarder ingrijpen.”

De gemeenten zien dit gevaar niet, zegt de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Als gezinnen met meerdere problemen niet willen meewerken, maar het kind is niet in gevaar, dan stopt het daar. Natuurlijk zijn gemeenten er niet op uit om hun bevoegdheden te misbruiken of belangen oneigenlijk te vermengen, zegt hoogleraar Weijers. Maar het probleem is dat de nieuwe wet geen bescherming biedt als dat wel gebeurt. „Toen ik onlangs in Rotterdam vroeg naar het toetsingskader van deze drangmaatregelen, keken ze me stomverbaasd aan. Toetsing? Het is ongelooflijk dat er zo’n grote verschuiving in het systeem plaatsvindt, waarin je de ouders plaatst tegenover een almachtige partij, zonder dat de wetgever daar iets tegenover stelt: een verbetering van het systeem van rechtsbescherming van de ouders of de jongere.”

Het is nu ook al slecht gesteld met de bescherming van de belangen van ouders. Waarheidsvinding is niet belangrijk in het proces, inschattingen van jeugdzorg krijgen de status van feiten. Er zijn geen regels voor bewijsrecht, en als Bureau Jeugdzorg te laat is of onvoldoende informatie aanlevert, wordt dat niet afgestraft door de kinderrechter. Feiner: „Het is ronduit teleurstellend dat met de bestaande kritiek op het systeem niets is gedaan.”

Maar het werkelijke probleem is volgens hen fundamenteler: kinderbescherming zou niet door de familierechter moeten worden getoetst, maar door de bestuursrechter. Civiele rechters beslissen in geschillen tussen gelijkwaardige partijen. Maar bij jeugdbescherming is de ene partij een grote professionele organisatie, en de ander een vaak kwetsbare ouder. Juist daarvoor is het bestuursrecht geschreven, zegt hoogleraar Weijers. „Daarin is rekening gehouden met de ongelijke uitgangspositie van de procespartijen, en zijn garanties opgenomen ter bescherming van de burger. De reden dat jeugdbescherming niet onder het bestuursrecht is gebracht, is – vrees ik – dat de reorganisatie snel moet, en dat er flink bezuinigd moet worden. Dan kan je niet ook nog het systeem van rechtsbescherming overhoop halen. Maar dat is volkomen onacceptabel.”

    • Elsje Jorritsma