De centrale bank moet geen waarzegger of supporter zijn

De bladeren vallen. De financiële beschouwingen in de Tweede Kamer over de begroting en het bezuinigingspakket van 6 miljard euro zijn in aantocht. En wat zegt de president van De Nederlandsche Bank? Klaas Knot voorspelt dat de economie in het derde kwartaal uit de recessie is gekomen. Hij waarschuwt tevens kabinet én oppositie dat politiek onvermogen het herstel kan knakken. In het gisteren gepubliceerde halfjaarlijkse Overzicht financiële stabiliteit geeft de centrale bank echter ook tegenstrijdige signalen af over de rol van de banken.

Ten eerste de economie. De president van De Nederlandsche Bank is geen voorspeller of, zo u wilt, economische waarzegger. Het becijferen van groei en het verzamelen van economische gegevens is de primaire taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Knot laadt met zijn enthousiaste gevoel over de trend de verdenking op zich dat hij de economie wel vooruit wil schrééuwen. Maar hij is niet minister-president Mark Rutte (VVD) die eerder dit jaar „een groene waas van herstel” zag en Nederlanders opriep met extra uitgaven de prognoses van het Centraal Planbureau te verslaan. Knot staat niet als fan langs de lijn. Hij staat als financieel toezichthouder en mede-hoeder van de euro juist middenin het veld.

Met zijn tweede interventie, zijn oproep tot een politiek akkoord over een begroting die al is ingediend, is Knot op vertrouwd terrein. Het is van oudsher ook een taak van De Nederlandsche Bank om politici bij de les te houden en een tegenkracht te zijn van gemakzuchtig financieel beleid. Maar het derde facet van Knots optreden roept weer wel vragen op. In haar stabiliteitsverslag schetst De Nederlandsche Bank de tegenstrijdigheden in de economie in een notendop. De economische krimp en het gehoopte herstel gaan gepaard met een zwakke groei van de kredietverlening van banken aan bedrijven en aan particulieren. Deze trage kredietgroei hindert de groei van investeringen en daarmee de economische groei. De keerzijde van de huidige malaise is dat de banken de laatste kwartalen te kampen hebben met oplopende verliezen op kredieten. Maar óók dat zij er zelf steeds beter voorstaan door een strenger kredietbeleid, door reorganisaties en door hun eigen gretige rentepolitiek bij woninghypotheken.

Knot toont begrip voor de banken én voor de kredietbehoefte van het midden- en kleinbedrijf. Hij suggereert de „kredietkraan” wat open te draaien. Maar als toezichthouder op de financiële sector moet zijn rol duidelijk zijn. De Nederlandsche Bank moet niet op de stoel van kredietbeheerders en risicomanagers van de banken gaan zitten. Een royale dosis extra krediet kan gemakkelijk tot nieuwe stroppen leiden. Daar is niemand bij gebaat.