Socialbesitas

et woord bestaat al even, maar ik was het niet eerder tegengekomen: aarsgewei voor ‘door vooral jonge vrouwen op de onderrug, boven de bilspleet, gedragen tatoeage die meestal bestaat uit krullen en geometrische figuren en die door zijn T-vorm met breed uitwaaierende vleugels aan een gewei doet denken’.

Deze definitie komt uit het ANW, het Algemeen Nederlands Woordenboek, een gratis wetenschappelijk woordenboek op internet, dat ook vermeldt dat het hier om een vertaling van het Duitse Arschgeweih gaat. Er blijken diverse synoniemen in omloop: reetgewei, whale tail en trampstamp. Reetgewei lijkt mij anatomisch correcter dan aarsgewei, maar correctheid speelt bij dit soort woorden geen grote rol.

Nog een woord dat al enkele jaren bestaat zonder dat het mij was opgevallen: sociobesitas voor ‘overvloedig gebruik van sociale media’. Ik kwam het tegen toen ik zocht naar het verwante socialbesitas, een woord dat vorige week veel aandacht kreeg in de media vanwege de publicatie van een boek van Mayke Calis en Herm Kisjes, Socialbesitas. Sociale media: van vertier tot verslaving. De cijfers die zij noemen zijn indrukwekkend: tieners en twintigers sturen gemiddeld 68 WhatsApp-berichten per dag en ontvangen er 154. Sommige jongeren ontvangen zelfs 600 berichten per dag. Ze zijn volkomen hooked aan hun mobiele telefoon, met alle gevolgen van dien.

Taalkundig is het interessant om te zien dat (o)besitas zo’n opgang aan het maken is in nieuwe samenstellingen, want naast sociobesitas en socialbesitas vinden we onder meer infobesitas en amusebesitas. De betekenissen komen overeen: het gaat om het overvloedige gebruik of aanbod van informatie, amusement en sociale media.

Opmerkelijk is dat obesitas, een medische term, het woord vetzucht vrijwel geheel heeft verdrongen. Vanaf het midden van de 19de eeuw was vetzucht namelijk het gangbare woord voor ‘zwaarlijvigheid’, net zoals magerzucht dat lang was voor ‘anorexia’.

Obesitas is een betrekkelijk jong woord. We vinden het sinds 1880 in het Nederlands, voor het eerst in advertenties voor middeltjes tegen zwaarlijvigheid. Zo adverteerde een zekere ‘Hr. De Crechy’, beter bekend als de anti-obesitas, in 1880 in het Rotterdamsch Nieuwblad met een ‘hygiënische likeur’ die zwaarlijvigheid zou verdrijven. De Crechy, die gevestigd was te Parijs, moet goede zaken hebben gedaan, want hij kon het zich veroorloven om tientallen advertenties in Nederlandse kranten te plaatsen.

Aan het begin van de 20ste eeuw dacht men dat Joden een grotere aanleg voor obesitas hadden dan niet-Joden, net als voor suikerziekte. Althans, daar maakte het Nieuw Israelietisch weekblad indertijd melding van. Maar er was dringend behoefte aan systematisch onderzoek, nuanceerde de schrijver van het artikel, want „uit eigen indruk zou hij willen opmaken, dat obesitas juist bij de proletariërs meer zou voorkomen”.

Mede door allerlei populaire televisieprogramma’s over mensen die hun obesitas proberen te overwinnen, is ook obees (‘aan obesitas lijdend’) in relatief korte tijd een gangbaar woord geworden. De uitspraak ervan is aan het veranderen. Lang rijmde obees op vlees, maar de laatste tijd hoor ik steeds vaker mensen o-bies zeggen, dus op z’n Engels uitgesproken.

Taalhistoricus Ewoud Sanders schrijft wekelijks op deze plek over taal