‘Nederland loopt achter met vergroening - niet klaar voor de toekomst’

"Een voorbeeld van radicale innovatie is verticale landbouw met LED-licht bij PlantLab", schrijft het Planbureau voor de Leefomgeving in zijn rapport over groene innovatie. Bij het Plantlab in Den Bosch worden groente, bloemen, planten en fruit duurzaam geteeld in hoogtechnologische teeltruimten, waarbij geen daglicht meer nodig is en geteeld kan worden in gestapelde lagen. Foto ANP / Lex van Lieshout

De Nederlandse economie loopt achter op het gebied van groene innovatie en is daardoor “niet klaar voor de toekomst”. Dat staat in een vandaag gepubliceerd rapport van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL).

Het PBL schrijft in het rapport:

“Hoewel Nederland op een aantal terreinen een sterke positie heeft, blijven we achter als het gaat om groene innovatie. Daarmee zetten we onze sterke concurrentiepositie op het spel. Nederland is nu nog niet klaar voor de toekomst.”

Nederland is volgens het PBL minder goed in staat de omslag te maken naar schonere en efficiëntere producten en processen dan andere sterke economieën. Concurrerende landen als Duitsland en Denemarken zijn verder doordat ze ambitieuze langjarige doelstellingen hebben en flink investeren in kennis.

Om een rol van betekenis te blijven spelen in de wereldeconomie, moet de overheid een belangrijke rol vervullen, oordeelt het PBL. De overheid moet een “stevig groen innovatiebeleid” opstellen en “fors inzetten op vergroening”. Het PBL vindt dat het kabinet nu geen echte keuzes maakt om te vergroenen. De onderzoekers schrijven:

“Daar komt bij dat de Nederlandse economie en vooral onze export sterk leunen op sectoren die veel energie en materialen gebruiken. Dat maakt ons kwetsbaar als grondstofprijzen stijgen of de beschikbaarheid onzeker wordt.”

De onderzoekers vinden onder meer dat kleine, vernieuwende bedrijven meer steun moeten krijgen, omdat die meer innovatieve potentie hebben dan grote bedrijven. Ook pleiten ze voor het belasten van energie- en grondstoffengebruik, een zuiniger omgang met natuurlijke hulpbronnen, meer geld voor onderzoek en ontwikkeling, en hulp bij internationalisering van het midden- en kleinbedrijf.