Literaire reus in journalistenjas 100 jaar. Maak kennis met al die typische Carmiggeltmannen.

Schrijver en columnist Simon Carmiggelt. Foto ANP

Vandaag zou hij 100 geworden zijn: Simon Carmiggelt (1913-1987). Mooi moment om bij het oeuvre van de aartsvader van het Nederlandse cursiefje stil te staan. Ook omdat hij voor het eerst door de twee uitgeverijen gedeeld wordt.

‘Dat gedicht is een schok der herkenning en heeft diepe indruk op mij gemaakt’, schreef uitgever Geert van Oorschot in 1966 aan zijn vriend Simon Carmiggelt. ‘Jammer dat het onmogelijk is het in Tirade op te nemen.’ In ‘The minor poet’ portretteert Simon Carmiggelt een dichter die zich aan de hemelpoort meldt met een oeuvre van ‘slechts één vel druks’ Hij wordt tot zijn eigen verbazing toegelaten:

‘De dichter dacht: „Verdomd, ik mag erin…”/
hij had getwijfeld, maar dit soepele begin/
schonk hem bewijs der hemelse gerechtigheid. […]
Hij zag zich al gedundrukt door Van Oorschot/
en mompelde: „Ga ik dan niet teloor, God”.’

Carmiggelt en Van Oorschot waren vrienden van het eind van de oorlog tot hun beider dood, maar het werk van Carmiggelt verscheen altijd bij De Arbeiderspers. Afgaande op zijn archief probeerde Van Oorschot éénmaal serieus om Carmiggelt binnen te hengelen. Niet om hem te dundrukken, maar toen hij begin jaren zestig met zijn goedkope Witte Olifant Reeks begon, wilde hij daarin een verzameling brengen van eerder door De Arbeiderspers gebundelde ‘Kronkels’.

Carmiggelt vroeg om toestemming, maar kreeg die niet – hij was commercieel veel te belangrijk voor zijn uitgever om hem met een ander te delen. Bij dat besluit legde hij zich dadelijk neer; de uitgeverij had hem eerder geholpen bij een dingetje met de belastingen. ‘Ik begrijp natuurlijk alles van die Witte Olifant’, antwoordde Van Oorschot:

‘Diep in mijn hart heb ik er nooit definitief op durven rekenen, maar ik had het zo verdomd fijn gevonden althans één boek van jou te kunnen uitgeven. De Arbeiderspers is een keurige zaak. Ze hebben mij in penibele omstandigheden ook vaak geholpen.’

Dat is literatuurgeschiedenis, maar Carmiggelt is gelukkig vooral nog literatuur. Een halve eeuw verder, op zijn honderdste geboortedag, wordt de aartsvader van het Nederlandse cursiefje dan toch gedeeld door de twee uitgeverijen, wat ongetwijfeld samenhangt met het feit dat zijn commerciële waarde in de loop der jaren gestaag is gedaald. Van Oorschot komt met Carmiggelt gedundrukt en De Arbeiderspers met Dwalen door Amsterdam met S. Carmiggelt, samengesteld en ingeleid door biograaf Henk van Gelder.

Dat laatste boek richt zich op die columns waarin delen Amsterdam nadrukkelijk naar voren komen – al is het boek veel meer een schatkaart dan de wandelgidsachtige titel doet vermoeden. Het Van Oorschotboekje is memorabel verzorgd: dundruk in een smal, naar de column verwijzend formaat, in Tsjechov-rood, inclusief belettering van Gerrit Noordzij. Het bevat een selectie waarin de meest literaire kant van Carmiggelt naar voren komt.

Carmiggelt was een literaire reus in een journalistenjas. Voor wie dat vergeten was: zie het verhaal ‘Rielèksen’. Een man zit op een paaltje achter het station naar het IJ te kijken:

‘Een dikke vijftiger was hij, onduidelijk van snit. Aan de ene kant had hij iets procuratiehouwerigs, maar hij kon ook best een uitgezwalkte zeekapitein zijn, die in alle wereldhavens zo kleurrijk heeft bemind dat hij gerust ontspannen op een paaltje mag zitten. Op een ei leek hij, waarvan je niet zeker weet of het gekookt is.’

Onduidelijk van snit, procuratiehouwerigs, uitgezwalkte zeekapitein – en dan moet de meesterlijke vinding met dat ei nog komen. Die behalve wonderbaarlijk, ook programmatisch is. Want altijd doet Carmiggelt verslag van ontmoetingen in de stad. In eerste instantie lijkt zich een plotje te ontrollen, maar uiteindelijk blijkt het de schrijver steeds om het personage te doen. Hij ontmoet iemand en probeert dan aan de hand van een paar gebeurtenissen te laten zien wat voor iemand die persoon is: even kijken of het ei gekookt is.

Zo ook met de man op het paaltje. Die lijkt het de onderzoekende verteller niet moeilijk te maken; hij loopt leeg, zoals dat onder journalisten heet. Eerst vertelt hij waar hij van houdt:

‘Ik hou van een meeuw. Ik hou van een vogel in het algemeen […] En van dorst hebben, maar het bier nog wat uitstellen. En van zwijgen met een goede vriend. En van langwerpige, zachte portefeuilles.’

Dan legt hij uit dat hij alleen nog maar wil ‘rielèksen’. Bij alles vraagt hij zich uitsluitend af of hij het leuk vindt, waarna hij uiteenzet hoe hij zijn hele leven in de weer is geweest: school, bijles, werk, kinderen, bijles voor de kinderen, geld verdienen, de kinderen geld laten verdienen. Inmiddels zijn er kleinkinderen, maar die wil hij niet zien:

‘Je komt er als mens binnen en je gaat meteen op de knieën. Dan ben je opa voor het leven.’

Dan haalt de man die alleen nog maar wil rielèksen een sigaar tevoorschijn. In gedachten zie je hem dat ding al allertevredenst oproken. Het verhaaltje is rond, misschien vliegt de meeuw uit het begin nog even langs. Een móói verhaaltje, helemaal volgens de kleinmenselijke melancholie waar de literatuurgeschiedenis Carmiggelt zo nadrukkelijk mee verbonden heeft. Maar de man steekt de sigaar niet op.

‘Zie je die sigaar?’ vroeg hij. ‘Goed, nou zeg ik tegen mezelf, wat wil je? ’m Opsteken? Nee, ik wil ’m niet opsteken. Ik wil ’m weggooien. En hup, daar gaat-ie.’

De twee mannen kijken even naar de sigaar in het water, waarop de paaltjeszitter weer doorraast over waar hij van houdt: wolkenluchten, herfstregen, en sneeuw:

‘Geen natte sneeuw. Nee, páksneeuw. En dan maar lekker lopen. Knars, knars. En van rolpens.’

Einde verhaal. De gedachte dat deze man werkelijk ontspannen naar het IJ zit te kijken heeft je dan allang verlaten; hier staat iemand op springen - voor je het weet gaat hij zijn eigen sigaar achterna.

De tóón van Carmiggelt is altijd ontspannen en vriendelijk, maar er hangt onheil in de lucht. Zo begin ‘Buitenman’, een verhaal dat in beide bloemlezingen staat, met een man op de Zeedijk. Net als de ‘rielèkser’ staart hij in het water: ‘Daar gaat weer een doje hond’, zei hij:

‘Die drijven hier veel. Vieze stad. Een móóie stad hoor. Maar vies. Mooi en vies.’

Ook deze zonderling draagt een vorm van onheil met zich mee, dat zich uitstrekt over de hele stad.

Dat geldt in hoge mate voor de paar in Carmiggelt gedundrukt opgenomen verhalen die in de oorlog spelen, zoals ‘Warum denn?’, dat in 1945 werd gepubliceerd. Daarin wordt de verteller met illegale kopij in zijn binnenzak aangehouden door een Duitse soldaat. Door de toevallige interventie van diens superieur mag hij toch doorlopen. ‘Warum denn?’ vraagt de soldaat aan zijn baas:

‘Waarom iemand laten lopen, die je pakken kunt? Waarom in vredesnaam zo’n verdomde Hollander naar huis laten gaan, terwijl hij zo rechteloos is als een straatkei, Freiwild, waarop iedere willekeurige kinkel de rancunes waarmee Pruissische dienst en handtastelijke Feldwebels hem hebben volgestopt, fijn wreken mag?’

Nog bitterder vervolgt Carmiggelt:

‘Zo is ons leven geworden. Heinrich kan ons grijpen als hij zin heeft. Emil kan ons laten lopen als het hem lust.’

Even naargeestig is het in het hongerwinterverhaal ‘Boterham met worst’ waarin een man in een café scheve ogen oogst met zijn luxe broodbeleg, waarna de alom aanwezige onderhuidse agressie net niet tot klappen leidt. De oorlog komt toch al veel terug, zoals in ‘Ja, Pa!’ over een man die begrafenissen van verzetsmensen bezoekt omdat zijn zoons in 1942 gepakt en gefusilleerd zijn. ‘Hij nam zijn hoed af en strompelde weg, een vernielde man, veroordeeld tot het torsen van een herinnering’, schrijft Carmiggelt. ‘’t Is allemaal duivels bedacht.’

Natuurlijk staan in deze twee Carmiggeltbundels ook veel lichte, vrolijke verhalen – mannen die op weg naar een avontuurtje in de draaideur van het restaurant hun vrouw tegenkomen (‘Ik heb radar’) – maar de werkelijke literaire kracht ligt in het onheilspellende wereldbeeld dat Carmiggelt zo onschuldig verpakt. Zijn verhalen zijn zelf ook een ei waarvan je aan de buitenkant niet kunt zien of het gekookt is.

Al die Carmiggeltmannen – zelden vrouwen – zijn op een bepaalde manier wel typisch, maar het zijn nooit typetjes, daarvoor wist Carmiggelt ze in een paar honderd woorden te veel onheil en mysterie mee te geven. Het lijkt alsof hij jarenlang door de straten van Amsterdam liep, op zoek naar personages die sterk genoeg waren om een hele roman te dragen. Hij vond ze bij de vleet, maar die roman schreef hij niet: zoals je ook een sigaar uit je zak kunt halen, er even naar kunt kijken en hem dan in het water kunt gooien.

Die ‘minor poet’ bij de hemelpoort had natuurlijk ook wel wat weg van Carmiggelt zelf, die zijn ijdelheid met talloze lagen zelfspot omzwachtelde. De engel vraagt hem of hij nog wensen heeft, ‘een wolk alleen of liever bij een vriend’. Dan besluit het gedicht: ‘„Naast Shakespeare!” riep de dichter ambitieus/ tegen de engel, die niet grijnsde om zijn keus./ „Goed,” klonk het. „Ik zal da’lijk voor u bellen./ Maar wilt u mij die naam dan even spellen?”’

    • Arjen Fortuin