Het ongeluk van oom Max

Vandaag 67 jaar geleden stortte een vliegtuig neer op de christelijke HBS in Apeldoorn. Daarbij kwamen 22 kinderen om. Ook piloot Max Christern was op slag dood. Oud-redacteur van NRC Handelsblad Max Christern reconstrueerde het verhaal van de oom naar wie hij vernoemd werd.

Prins Bernhard speldt de BritseWings op bij piloot Max Christern. Foto privé-bezit

De oom naar wie ik vernoemd ben, ken ik alleen van de foto’s. In mijn vaders werkkamer hing hij ingelijst in zwart-wit. Hij lachte me toe vanaf de muur. Dat was ’m: oom Max, de vijf jaar oudere broer van mijn vader. In de jaren dat ik opgroeide in een gezin als oudste zoon en middelste van vijf kinderen, kwam hij af en toe ter sprake. Dan ging het over ‘het ongeluk van oom Max’ en durfden we niet echt door te vragen, bang als we waren om het verdriet van mijn vader aan te raken.

Max Christern, geboren op 7 mei 1923, was de piloot van het vliegtuig dat 7 oktober 1946 neerstortte op een school in Apeldoorn. Tot dat moment gold hij als een van de meest talentvolle vliegers van zijn lichting. Een paar weken voor het ongeluk kreeg hij bij de Royal Air Force nog de eervolle Britse Wings opgespeld door Prins Bernhard.

De ochtend dat hij de strenge pilotenkeuring van de Marine Luchtvaartdienst goed had doorstaan en wist dat hij binnenkort naar Nederlands-Indië mocht, vloog hij in een Fairy Firefly-toestel van zijn standplaats Valkenburg, bij Leiden, naar zijn oude thuishaven Teuge. Op weg daarheen zou hij zijn ouderlijk huis aan de Ribeslaan in Apeldoorn passeren. Wilde hij zijn moeder een groet uit de lucht brengen? Was er een defect aan de gashendel van het toestel? Werd hij op zijn eerste solovlucht verrast door de krachtige motor van de Firefly? We zullen het nooit weten, maar de reis eindigde in een drama.

Max schampte vlak bij het huis van zijn moeder met een van zijn vleugels de toren van de christelijke HBS. Een benzinetank schoot los en zette de gymzaal in brand. Tweeëntwintig leerlingen van klas 2c die gymnastiekles hadden, kwamen om in de vuurzee. Max zelf stortte naast de school neer en was op slag dood. Zijn moeder zag het ongeluk gebeuren en bezweek even later aan een hartverlamming.

Apeldoorn werd in rouw gedompeld. En in alle berichtgeving kreeg de piloot de schuld. Hij was ‘roekeloos’ geweest – dat woord keerde steeds terug. Tussen alle verdriet om het verlies van hun broer en hun moeder en het schuldgevoel richting de nabestaanden was er bij mijn vader en zijn oudere zus ook verwarring. Want als er in hun beleving iets niet paste bij hun broer dan was het dat woord dat iedereen nu op hem plakte: roekeloos. Een groot deel van hun verdere leven hebben ze ermee geworsteld. Hun broer, die al tien keer als held had kunnen sterven in de oorlog, ging de geschiedenis in als een roekeloze ramppiloot. Zo werd oom Max een met veel liefde en verdriet toegedekt taboe. En dat bleef hij jarenlang ook voor de neven en nichten die hem nooit gekend hebben.

Pas toen mijn vader stopte met werken, gaf hij zichzelf ruimte om over zijn broer te praten. We spraken af dat we samen de familiegeschiedenis zouden opschrijven, voor onszelf en het nageslacht. Hij was al even op streek toen hij in het voorjaar van 1997 plotseling overleed. Twee jaar geleden heb ik zijn werk opgepakt en afgemaakt. Een jaar geleden is het verhaal als boek gepubliceerd Het ongeluk van oom Max.

Mijn oom mocht om meer herinnerd worden dan de rampzalige vlucht. Niet om zijn rol bij de ramp goed te praten, maar om recht te doen aan de persoon en aan de geschiedenis. En om een wens te vervullen van mijn vader en zijn zus. Een wens die mijn vader ooit aan een oude schoolvriend verwoordde als „een voor mij zo belangrijke correctie aanbrengen op de beeldvorming over mijn broer Max”.

Max Wilhelm Douwe Christern wordt op 7 mei 1923 geboren in het Gelderse Vorden. Zijn vader is Ludwig Christern, een Duitse handelsvertegenwoordiger. Zijn moeder is Mia Slingervoet Ramondt, een Nederlandse onderwijzeres. Max is de middelste van drie kinderen. Hij heeft een oudere zus Mareike en een jongere broer, Harald, mijn vader, die op de Filippijnen wordt geboren in de jaren dat mijn opa daar een eigen handelsmaatschappij opzet.

Ludwig Christern is een avonturier met een Duits paspoort die moeite heeft zich ergens thuis te voelen. Hij wordt nooit een echte Duitser tussen de Duitsers, maar is tussen andere nationaliteiten – Nederlanders, Amerikanen, Britten, Filippino’s – juist steeds wel een Duitser. En zijn kinderen hebben alle drie ook een Duits paspoort.

Vanaf het moment dat Hitler aan de macht komt, wil hij steeds minder met Duitsland te maken hebben. Als de oudste twee kinderen de leeftijd bereiken voor de middelbare school, besluit hij ze in Nederland naar school te laten gaan. Moeder Mia vaart in de zomer van 1933 met haar kinderen van Manila naar Nederland om een school te vinden en om daarna met de jongste terug te gaan naar de Filippijnen. Maar op 2 januari 1934 moet zij haar plannen noodgedwongen bijstellen: haar man overlijdt onverwacht. Het verdriet is groot, alle dromen vallen in duigen.

Ze besluit in Nederland te blijven en begint daar meteen met de naturalisatieaanvraag voor de kinderen. Om daarvoor in aanmerking te komen, moest je in die tijd vijf jaar onafgebroken in Nederland hebben gewoond. In de zomer van 1939 is dat het geval en dient ze een officieel verzoek in bij de koningin. Ze schrijft dat ze zich ‘ernstig bezorgd maakt’ dat haar oudste kinderen over enkele jaren opgeëist zullen worden door Duitsland.

Eind april 1940 komt er bericht dat alles geregeld is. De officiële bevestiging daarvan zal per post binnenkomen Maar als op 10 mei het Duitse leger Nederland binnenvalt, ligt alles meteen stil, ook de post. Daardoor komt de brief waarin de naturalisatie van de drie kinderen Christern wordt bekrachtigd nooit aan, evenmin als de Staatscourant waarin dit in de week van 10 mei had zullen staan. Het heeft verstrekkende gevolgen voor de familie dat de drie kinderen officieel Duits blijven en zo de oorlog ingaan.

Max Christern is 17 jaar als de oorlog uitbreekt. Hij is veel met techniek bezig, sleutelt aan motoren en leert zweefvliegen. Begin 1942 wordt het menens voor hem: hij wordt opgeroepen voor het Duitse leger. Max twijfelt enorm. Als hij deserteert, brengt hij zijn familie in gevaar. Als hij zich meldt, gaat hij in op een verzoek van een regime dat hij verafschuwt. Uiteindelijk besluit Max zich in het vroege voorjaar van 1942 toch te melden bij het Duitse leger. Hij vertrekt begin april naar Oschatz, in Saksen, naar een vliegersopleiding. Dat is een belangrijke overweging om deze stap te zetten: Max kan nu echt leren vliegen en houdt zijn familie zo voorlopig uit de wind.

In de maanden die volgen, gebeurt er weinig. Er is vooral veel theorieles, maar gevlogen wordt er nauwelijks omdat de Duitsers kampen met een tekort aan olie. In de zomer van 1943 krijgt Max zijn eerste verlof en mag hij terug naar Nederland. Dat moment grijpt hij aan om te deserteren. Hij duikt onder bij een stiefoom in Deventer. Kort daarna moeten ook zijn moeder, broer en zus onderduiken om te voorkomen dat ze als vergelding voor zijn desertie worden opgepakt.

Max reist al snel door naar het Land van Maas en Waal en komt terecht in Horssen. Vanaf dat moment heet hij volgens een vervalst persoonsbewijs Menno Cannegieter – een naam met vertrouwde initialen. Hij werkt in Horssen veel samen met burgemeester Luske. Samen groeien ze uit tot de ‘bekendste verzetshelden van het dorp’, zo vertelt een gedenkboek. Horssen telt in die tijd honderden onderduikers. Luske regelt de adressen, Max begeleidt de onderduikers naar hun onderkomen. Als in de loop van 1944 Luske wordt opgepakt door de Duitsers neemt Max zijn taken over en blijft groepen onderduikers in veiligheid brengen. Tot hij zelf uiteindelijk ook wordt opgepakt en in kamp Amersfoort terecht komt, nog steeds als Menno Cannegieter. Dankzij een kamparts kan hij ontkomen voordat duidelijk wordt wie hij werkelijk is.

Hij weet bij het onderduikadres van zijn moeder, zus en broer te komen, in Amsterdam. Even is de familie herenigd, maar Max wil terug richting Horssen om, zo schrijft hij in een brief, „mijn krachten eindelijk openlijk ten behoeve van Nederland ter beschikking te kunnen stellen”. Hij neemt op 16 september weer afscheid en vertrekt, te voet. Twee dagen later is hij in Horssen waar hij terecht komt in ‘Operatie Market Garden’, de grote invasie van de geallieerde troepen. Volgens zijn dagboek neemt Max meteen ‘als waarnemend burgemeester’ de leiding op zich in Horssen, arresteert twee NSB’ers, brengt illegale strijders onder en sluit zich aan bij een verkenningsgroep.

Max weet zich snel te onderscheiden bij de geallieerden en besluit open kaart te spelen. Hij wil voorkomen dat in de toekomst verwarring ontstaat over zijn verleden. En hij wil niets liever dan helpen bij de bevrijding van Nederland. Zijn grote doel is de vliegersopleiding in Engeland te volgen en daarom zoekt hij getuigen die kunnen bevestigen dat Max Christern geen Duitse spion is. Die vindt hij en ze zorgen er mede voor dat Max op 12 maart 1945 een brief krijgt van de Britse autoriteiten waarin zij verklaren geen bezwaar te hebben tegen zijn komst. Via het bevrijde zuiden van het land maakt hij de oversteek naar Engeland. Ondanks zijn Duitse paspoort wordt Max zo een van de honderd Nederlandse jonge mannen die zijn geselecteerd voor de pilotenopleiding van de Royal Air Force.

Na de oorlog blijft Max nog ruim een jaar in Engeland om de opleiding af te maken. Hij sluit zijn periode bij de Britten af met een hoogtepunt als hij als beste piloot van zijn klas de Wings krijgt opgespeld door prins Bernhard. De vliegklas van Max verhuist naar Nederland en komt op vliegveld Valkenburg terecht. Het is even wennen voor de piloten na hun periode in Engeland. Het zijn allemaal jongens die al jong volwassen waren. Mannen onder de 24, geselecteerd tijdens de oorlog op eigenschappen die een goede gevechtspiloot van ze zouden maken: ze dienden onverschrokken te zijn. Ze moesten werken op de rand van overmoed en roekeloosheid – daar kwam het woord vandaan – maar er niet overheen gaan.

De meesten hebben tot dan toe alleen voedseldroppings gedaan en trainingsvluchten gemaakt. Maar nu gloort een nieuw doel: Nederlands-Indië. Vooral Max wil er graag naar toe, om iets voor zijn vaderland te doen en om terug te gaan naar de plek waar zijn ouders elkaar ooit ontmoetten. Op de ochtend van maandag 7 oktober 1946 hoort Max dat hij de strenge keuring voor Nederlands-Indië goed heeft doorstaan. Hij moet er opgetogen over zijn geweest, euforisch misschien zelfs, zoals het in veel verslagen destijds werd genoemd. In ieder geval stapt hij die ochtend met een goed gevoel in de Firefly om meteen een eerste solovlucht te maken in het toestel dat hij straks in de Oost moet vliegen.

Hij mag dat doen, maar hij houdt zich niet aan de afgesproken afstand die een piloot rondom zijn basis mag vliegen. Hij gaat verder, naar Apeldoorn, waarschijnlijk om een groet te brengen aan zijn moeder die dat weekend nog tegen hem heeft gezegd dat ze hem nog nooit heeft zien vliegen.

En dan gaat het mis. Boven het centrum van Apeldoorn horen omstanders geronk en zien ze het vliegtuig opvallende capriolen maken. In gesprekken met oud-piloten die met Max gevlogen hebben, wees een van hen me op een mankement in het toestel: de klemmoer van de gashendel was lam. Dat kan verklaren waarom hij de controle over het toestel kwijtraakte. Een andere piloot wees op de krachtige motor van de Firefly die hem verrast kan hebben.

We zullen nooit precies weten wat het was. Het blijft speculeren en het is ook niet mijn doel geweest om mijn oom vrij te pleiten van schuld. Ik wilde vertellen wie hij was. Door dat te doen ben ik de afspraak met mijn vader nagekomen en heb ik geprobeerd een correctie aan te brengen in het beeld dat van zijn broer bestond.

Met mijn familie sprak ik af dat het verhaal in eerste instantie daar terecht moest komen waar we vonden dat het verhaal bekend mocht zijn: in Apeldoorn, bij de nabestaanden van de overleden kinderen en bij de mensen van de school, die jaarlijks een herdenking organiseren. Vorig jaar heb ik het boek in goed overleg met de rector aan deze groep mogen aanbieden. En ik heb over het verhaal van mijn oom mogen praten met leerlingen van de tweede klas van de school, die jaarlijks naar de herdenking op de begraafplaats gaan. Zo kwam het verhaal van mijn oom op de plek waar 23 levens veel te vroeg eindigden.

Het boek leerde me dat het verhaal van de ramp nog steeds leeft. En dat de behoefte om te herdenken blijft bestaan. Om de kwetsbaarheid van het leven te beseffen, de speling van het lot. Om het verhaal achter een ongeluk te kennen en zo beter te begrijpen wat nabestaanden doormaken. En ook om aandacht te geven aan iets waarvoor destijds, zo kort na de oorlog, nauwelijks ruimte was: rouw en verwerking van groot verdriet, ook twee generaties verder.

    • Max Christern