Een vriezer vol stukjes dood beest

John Hutchinson ontleedt dieren met moderne technieken Hij vindt dat anatomie weer in de mode moet raken „Zelfs een stinkende, rottende krokodillenpoot heeft iets moois”

Hutchinson is hoogleraar evolutionaire biomechanica aan het Royal Veterinary College in Groot-Brittannië. Hij houdt een blog bij over de ledematen in zijn vriezer: whatsinjohnsfreezer.com. Foto Justin Griffiths-Williams

Redacteur biologie

De staart van een cheeta, de voetzool van een olifant of de poten van een komodovaraan. Soms weet John Hutchinson zelf even niet meer wat hij in zijn vriezer heeft liggen.

Hutchinson is een grote, kalme man, draagt twee oorringetjes en een bodywarmer. „Waarom kan een neushoorn springen en galopperen, en een olifant niet?”, vraagt hij. Hij houdt eerst een kort, robuust dijbeen van een neushoorn omhoog. Dan het veel rankere dijbeen van een olifant. „Dit raadsel is nog niet opgelost, maar het antwoord ligt ergens in hun anatomie.”

Hutchinson (1971) is een moderne anatoom. Hij snijdt en ontleedt niet alleen, hij licht ook ledematen en levende dieren door met CT-scanners en röntgenapparaten en maakt digitale anatomische reconstructies van hedendaagse en uitgestorven diersoorten. Anderhalf jaar geleden toonde Hutchinson het bestaan aan van de ‘zesde teen’ in de olifantenvoet, nadat wetenschappers daar 300 jaar over hadden gedebatteerd. De zesde teen is eigenlijk een aangepast sesambeentje, dat het massieve gewicht van het olifantenlijf over de voet helpt verdelen.

We zijn op de campus van het Royal Veterinary College, in Potters Bar, even buiten Londen. „Welkom in mijn bevroren dierentuin”, zegt Hutchinson als hij de gekoelde container naast het lab opent. Koude mist rolt naar buiten, de geur van een bedorven dierenwinkel komt ons tegemoet. Overal liggen plastic zakken. Paarden- en emoepoten steken uit het plastic, olifantenvoeten staan her en der als vlezige pedaalemmers.

Hoe kom je aan al deze ledematen?

„Dierentuinen bellen me meteen op als er een olifant, neushoorn of giraffe sterft. Dat blijft een moment van paniek. Binnen korte tijd moet ik dan vervoer, personeel en een vriezer regelen. Maar ik zeg nooit nee. Ik ben een obsessieve verzamelaar. Zelfs al kan ik het materiaal niet meteen gebruiken, dan sla ik het hier op voor een regenachtige dag.”

Waarom anatomie? Is dat niet iets wat biologiestudenten moeten doen, voordat ze spannendere vakken mogen kiezen?

„Je leert zo veel van het opensnijden van een dier! Ik ben een visuele denker. Ik vond anatomie al prachtig en uitdagend toen ik als tienjarig jochie de dode kikkers op mijn grootvaders boerderij ontleedde.

„Als tiener raakte die fascinatie op de achtergrond. Ik interesseerde me vooral voor meisjes en bier. Ik werd een enorme metalhead. Pas op de universiteit herontdekte ik evolutie, in een college over wetenschapsgeschiedenis. Ik raakte verslaafd aan Darwin en werd verliefd op paleontologie. Het hielp waarschijnlijk ook dat Jurassic Park rond die tijd uitkwam.”

Maar anatomie is uit de mode.

„Kijk, zelfs een stinkende, rottende krokodillenpoot heeft iets moois. Je zult er dezelfde spieren in vinden als in een struisvogelpoot. Die patronen, die gedeelde evolutionaire geschiedenis, die zijn het sterkst zichtbaar in de anatomie. Anatomie is de spil waar een dier om draait.

„Het vreemde is dat anatomie nu minder op waarde wordt geschat, terwijl het vak sterker is dan ooit. We doen voortdurend ontdekkingen. Nieuwe technologieën maken het mogelijk nieuwe vragen te stellen en beantwoorden. Met CT-scanners kunnen we diep binnen in fossielen en ledematen kijken.

„Tegelijkertijd wordt anatomie minder vaak gedoceerd dan vroeger. Een deel van het probleem is dat het woord anatomie een stoffig beeld oproept. De grootste namen in de geschiedenis van de wetenschap bedreven anatomie. Charles Darwin. Richard Owen. Daardoor kan het lijken alsof alles al is opgelost.”

Dat is niet zo?

Stellig: „Anatomie is nooit klaar. Er zijn zó veel diersoorten en verschillende anatomieën. Met een beetje overmoed durf ik te zeggen dat anatomie een veld is dat niet sterven kan.

„Neem de olifant. Voor het onderzoek aan de zesde teen van de olifant las ik alle acht artikelen over de anatomie van de olifant. Allemaal prutswerk. De wetenschap was slecht, de illustraties waren slecht. Dit was driehonderd jaar na de eerste beschrijving van een olifant, maar blijkbaar bestond er geen betrouwbare bron voor de anatomie van het beest. Ik was geschokt.”

Wat vinden andere biologen van je vak?

„Ze zijn zich niet altijd bewust van wat de anatomie te bieden heeft. Het probleem van paleontologen is dat ze denken dat ze alles af kunnen leiden uit fossielen, alsof ze tegelijkertijd experts zijn in voortbeweging, gedrag en ecologie. Maar dat zijn ze niet. Ik denk dat het beter is om eerlijk te zijn over wat we niet weten, dan om een mooi verhaal te verzinnen.”