Wij willen graag blijven klein

Veel advocaten willen niet meer groot, log en vast. Ze willen klein, snel en flexibel. Gevolg is een toename van kleine kantoren die het ‘anders’ doen. Vooral jongere advocaten willen meer variatie in hun werk. „Na een paar jaar op de Zuidas willen ze een tijdje naar het Rode Kruis.”

De zakelijke advocatuur is lang een conservatief en gesloten bolwerk geweest. De grote kantoren bepaalden wat, wanneer en vooral voor hoeveel; cliënten hadden het maar te slikken. Met de crisis aan hun zijde zijn cliënten logischerwijs kritischer geworden. Ze willen niet meer betalen voor stagiairs die ze niet kennen, maar direct contact met de advocaat voor wie ze zijn gekomen.

Het traditionele piramidemodel dat veel kantoren hanteren – veel stagiairs, iets minder medewerkers en een handjevol partners – brengt kosten met zich mee: jonge advocaten moeten worden opgeleid, het grote pand op de Zuidas moet worden betaald, net als de batterij aan secretaresses en IT-ondersteuning.

Niet alleen cliënten kijken kritischer naar deze kosten, ook de advocaten zelf hebben moeite met de kantoorpolitiek en het gebrek aan transparantie en persoonlijk contact. Gevolg is een toename van kleine kantoren die het ‘anders’ doen, blijkt na een rondgang.

„Wij zien in de markt steeds meer zelfstandigen of kleine kantoren, die hun praktijk op hun eigen manier willen inrichten”, zegt Christ’l Dullaert van advocatenuitzendbureau Le Tableau. Vooral jongere advocaten willen volgens haar meer variatie in hun werk. „Na een paar jaar op de Zuidas willen ze een tijdje naar het Rode Kruis en daarna weer een opdracht doen bij een accountant.” Dit ‘Hollywoodmodel’ heeft volgens Dullaert de toekomst: mensen komen samen voor een project, om daarna weer ieder hun eigen weg te gaan.

„In Amerika wordt al gesproken over de krimpende piramide, die langzaam in een diamant verandert”, zegt Dullaert. Jonge advocaten blijven minder lang hangen, waardoor de onderlaag versmalt. Voor de grote kantoren is dit slecht nieuws. „Ik ken kantoren die speciale programma’s ontwikkelen om jonge medewerkers te binden.” Zij hebben drie jaar lang geïnvesteerd in de dure beroepsopleiding van hun advocaat-stagiairs en willen daar ook de vruchten van kunnen plukken.

„De grote kantoren zijn nog steeds naar binnen gericht”, zegt Lennaert Posch van het nieuwe Amsterdamse kantoor Rutgers & Posch. „Zij gaan ervan uit dat de wereld zich aan hen aanpast, maar dat gebeurt niet.” Met zes partners, allen afkomstig van de grote kantoren, richtte hij een nieuw kantoor op. Hijzelf was hiervoor partner bij Stibbe.

Zijn collega-partner Gerard Endedijk, die eerder bij DLA Piper werkte, zegt: „Cliënten klagen steeds openlijker over hoge uurtarieven.” De structuur van de grote kantoren dwingt volgens hem tot het neerzetten van grote teams, waarvoor hoge tarieven moeten worden berekend. „Cliënten hebben daar genoeg van. Ze willen elke naam op de factuur persoonlijk kennen.”

Er werken nu achttien advocaten bij Rutgers & Posch, maar het kantoor kan zich oppompen als dat nodig is. „De tweede ring”, noemen ze het. Een groep van zo’n twintig zelfstandige advocaten en bedrijfsjuristen die ze flexibel kunnen inzetten voor grote klussen. De groep kan gebruik maken van de bibliotheek, kan op kantoor werken en kan mee borrelen op vrijdag.

De selectiecriteria zijn streng. „We plaatsen hen bij bestaande cliënten, dus we moeten ervan op aan kunnen dat ze goed zijn. De gemiddelde leeftijd is 35, met minimaal zes jaar werkervaring. Het niveau en de ambitie van deze groep ligt hoger dan in de advocatuur wordt gedacht”, licht partner Aladár Bleeker toe, die onlangs is aangetrokken om het flexibele concept vorm te geven.

Volgens Bleeker willen de advocaten meer vrijheid, maar wel interessant werk blijven doen op hoog niveau. Ze staren zich niet blind op het partnerschap bij een groot kantoor, maar hebben andere plannen. Ze willen bijvoorbeeld een mooie reis maken of meer tijd voor andere interesses.

Philip Phoelich (40) is een van die flexibele krachten. Hij werkt één dag in de week bij ontwikkelingsorganisatie Cordaid, waar hij de sponsorcontracten bekijkt op juridische knelpunten. Daarnaast doet hij eigen klussen.

Sinds vier jaar werkt hij voor zichzelf, daarvoor was hij acht jaar advocaat financieel recht. „Op een gegeven moment wordt verwacht dat je nieuwe cliënten gaat werven, dat lag mij wat minder”, zegt hij. „En ik maakte lange dagen. Ik wilde meer tijd voor andere dingen in het leven.”

Het grootste voordeel is dat hij nu zelf zijn tijd indeelt. Ook de afwisseling bevalt, al mist hij het contact met vaste collega’s.

De opzet brengt drie behoeftes samen: advocaten die flexibel willen werken, kleine kantoren die niet de rompslomp willen van een groot kantoor maar wel grotere klussen willen kunnen doen en cliënten die niet willen betalen voor de kerstboom aan stagiairs en medewerkers.

Een ander nieuw kantoor dat hierop inspeelt is het Amsterdamse Hill & Ross. Het kantoor bestaat uit vijf interne en vier externe advocaten. De interne advocaten zitten op kantoor en werken minimaal vier dagen in de week, de externe advocaten werken thuis zoveel als ze willen. „Dit zijn ouders met kleine kinderen, mensen die daarnaast promoveren of oudere advocaten die nog niet met pensioen willen”, lichten oprichters Jan Huizer en Axel Macro toe. Alle advocaten zijn in loondienst en krijgen een variabele bonus die afhankelijk is van hun eigen omzet. „Zo voorkom je scheve gezichten als mensen minder werken.”

De werkdruk wordt bewust laag gehouden, ook voor de interne advocaten. Waar een advocaat bij een groot kantoor al gauw 6,5 uur per dag moet declareren – dat overeenkomt met een werkdag van 10 à 11 uur – ligt bij Hill & Ross de norm op zo’n 3,5 uur. Voor de externe advocaten is dit nog minder. „De topadvocatuur raakt goede advocaten kwijt door de absurd hoge werkdruk”, zegt Macro. „En dat terwijl de advocatuur zich bij uitstek leent voor een flexibele vorm van werken. Je bent zelf verantwoordelijk voor je eigen dossiers.”

    • Nelleke Koops