Wie informatie heeft staat sterk

‘Wat presidenten of ministers in kabinetsberaad zeggen, wat in koningshuizen of boardrooms wordt besproken, of generaals drinken, of ambassadeurs vreemdgaan (…): de Amerikaanse geheime dienst luistert overal iedereen af.” Deze passage komt uit het blad Der Spiegel. Niet uit een recent nummer dat onthult dat de Amerikaanse inlichtingendienst NSA de Europese vertegenwoordiging in Washington aftapt of e-mails van Europeanen leest. Nee, het komt uit een oud exemplaar: februari 1989.

Eind oktober bespreken Europese regeringsleiders dataprotectie, op een top. Zij weten als geen ander dat iedereen iedereen altijd bespioneert: Amerikanen, Fransen, Duitsers. In hun Brusselse vergadergebouw wordt geregeld apparatuur gevonden. In 2011 nog, in minstens vijf nationale delegatiekamers. Bij elke laag behang die je wegtrekt, zegt men, vind je wat.

Al in 2001 vertelde een veiligheidsman van de Europese Commissie dat hun beveiligingssystemen getest werden door… de Amerikaanse NSA. Dat bleek tijdens een hoorzitting in het Europees parlement over het Echelon-programma, waarmee Amerikaanse en Britse veiligheidsdiensten wereldwijd iedereen afluisterden. Veel EU-landen bleken daaraan mee te werken. Drie jaar geleden was er Swift: Europese bankgegevens gingen richting Amerika. Wat politici vooral gênant vinden aan deze affaires, zijn onthullingen in de pers. Echelon loopt nog. Swift ook, met lichte aanpassingen.

Europa heeft deze situatie aan zichzelf te wijten. Voor Amerikanen zijn data de ‘nieuwe olie’. Met de cyberindustrie houden ze greep op de wereld én beveiligen ze hun land. Ze investeerden fors in internetbedrijven, al draaiden die jarenlang verlies. Nu gebruikt de hele wereld Facebook. Ook voor China betekenen data macht. Dat het land eigen zoekmachines heeft naast Google, is niet alleen om burgers te controleren. China wil voorkomen dat Amerika dat doet.

In Europa, dat niet in machtstermen denkt, heeft Google 90 procent van de markt. Het heeft weinig cyberindustrie en gebruikt Amerikaanse zoekmachines en clouds. Voor Europeanen is privacy hét issue. Elke Snowden-onthulling bevestigt hoezeer de andere machtsblokken dit aspect negeren. Die voeren een keiharde wedloop over grondstoffen, energie en cybercontrole, en schenden daarbij doorlopend internationale privacyregels. Europa piept alleen. Vergeefs.

Het echte schandaal is niet dat de Amerikanen Europese ministers of diplomaten afluisteren. Europese burgers vinden Europa te duur. Er is geen geld voor veiligheid, zoals elke Europese functionaris kan bevestigen die met een aftandse ‘gecodeerde fax’ geklungeld heeft. Buitenlandse veiligheidsdiensten lachen zich een bult.

Tijdens de Koude Oorlog kon Europa een ‘soft power’ zijn. Amerika beschermde ons. Die veilige paraplu is weg. Amerika vecht voor zijn positie op het wereldtoneel. Het wil Europa aan zijn kant hebben, maar op Amerikaanse voorwaarden. Washington heeft een heldere strategie: wie informatie heeft, staat sterk. Dus bekijkt de NSA vooral sinds 9/11 informatie die Amerikaanse multinationals verzamelen over Europese consumenten. Dat is het échte schandaal.

De Amerikaanse grondwet beschermt burgers tegen overheidsspionage, niet tegen bedrijven die informatie willen. Met een beroep op antiterreurwetten eigent de NSA zich nu databases van die bedrijven toe – en omzeilt zo de grondwet. In Europa zijn burgers beter beschermd tegen opdringerige bedrijven. Nóg wel. Europa en de VS onderhandelen over een trans-Atlantisch vrijhandelsverdrag. Ze willen standaarden en wetten harmoniseren. Driemaal raden wat de Amerikaanse strategie is. Als Europese leiders verstandig zijn, trekken ze nu een streep in het zand. Dit kan de laatste kans zijn om zélf te beslissen over onze burgerlijke vrijheden.

Caroline de Gruyter schrijft op deze plek elke zaterdag over Europa en politiek.