...want zonder de grote spelers in de Veiligheidsraad lukt het niet

Diplomaten noemen de gifgasdeal „een Russische meesterzet”. Bij de G20 in St. Petersburg, begin september, leek het Syrië-dossier in de permafrost beland. Maar na een opmerking van John Kerry, de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, speelde zijn Russische ambtgenoot Lavrov alsnog vliegensvlug de chemische wapens uit. Hij had dit zonder twijfel eerst met de Syriërs afgestemd, maar gaf de Amerikanen later zelfs een deel van de credits.

In schaaktermen was dit: een stuk offeren. Syrië maakte een gratis gebaar: het deed afstand van een wapen dat militair al zinloos was; nog eens gifgas gebruiken zou tot een interventie leiden. Rusland behield zijn positie als Syrische beschermheer én spelverdeler. En cruciaal: het initiatief bespaarde president Obama gezichtsverlies in zijn pogingen steun te krijgen van het Congres bij militair ingrijpen.

Zo werd het gifgas, bijna omgekeerd, een vehikel om de Russisch-Amerikaanse impasse te doorbreken; dit was iets waar ze het tenminste over eens konden zijn.

Of het opruimen van die wapens haalbaar was, en de vraag hoe het verder moet met de oorlog in het algemeen werden zo geparkeerd. De OPCW kon weinig anders dan de deal accepteren. „Dit is immers waar ze voor zijn”, zegt een OPCW-oudgediende. „Wat is het alternatief – niets doen?”

Net als in de beginjaren stuwt een Russisch-Amerikaanse entente zo het OPCW-werk. Maar het blijft onduidelijk hoever die reikt. De VN-resolutie spreekt van ‘maatregelen’ als Syrië verzaakt. Maar wat die inhouden is onduidelijk. Ook de impasse tussen Moskou en Washington is geparkeerd. Dat de OPCW onafhankelijk kan opereren van de grote spelers in de Veiligheidsraad is hoe dan ook een illusie; zij zijn het die de OPCW met inlichtingen voeden en de naleving van OPCW-besluiten afdwingen.