U droomt zeker in een hoorspel?

Dromen worden vaak beleefd als filmische avonturen tijdens de slaap. Maar hoe droom je als je nooit hebt kunnen zien? Vincent Bijlo vertelt over zijn persoonlijke ervaringen.

Foto Robin Utrecht

‘Het is een van de meest gestelde vragen aan mij als blinde: meneer Bijlo, hoe droomt u? U droomt zeker in een hoorspel? Maar dat is natuurlijk niet zo. Ik droom in de zintuigen die mij dagelijks ter beschikking staan. Dus ik droom in tast, in gevoel, in reuk, in geluiden, in alles wat ik overdag ook heb.”

Vincent Bijlo (48) is vanaf zijn geboorte blind. In 1985 werd vastgesteld dat in zijn familie de ziekte van Norrie voorkomt, een erfelijke aandoening waarbij het netvlies al bij de geboorte is aangetast door misvormingen. Het defecte gen zit op het X-chromosoom: mannen worden getroffen, vrouwen zijn alleen draagster. De oudere broer van Bijlo is ook blind, zijn tweelingzus niet. De ziekte van Norrie gaat op latere leeftijd vrijwel altijd gepaard met toenemende doofheid. Dat is ook bij Bijlo het geval, al kan hij de achteruitgang met ‘oortjes’ nog goed opvangen.

Na een aantal jaren op een blindeninstituut – verwerkt in zijn roman Het instituut (1998) – besloot Bijlo zijn vwo op een ‘gewone’ school te doen. Nadat hij in 1988 op het Leids Cabaretfestival zowel de publieksprijs als de persoonlijkheidsprijs won begon een productieve loopbaan als theatermaker, componist, columnist en romanschrijver. Een deel van zijn werk verscheen in samenwerking met zijn vrouw Mariska Reijmerink.

Heb je het wel eens met andere blinden over dromen?

Bijlo: „Alleen met mijn broer. Ik ken eigenlijk nauwelijks blinden. Hoe meer ik lees over dromen, hoe meer ik denk dat die verschillen ook niet zo groot zijn. Dromen zijn enorm sferisch. Ze lijken wel wat op trips, op iets wat door lsd is opgewekt. Dat is bij blinden niet anders. Regelmatig praten er bijvoorbeeld poezen in mijn dromen. Die zeggen gewoon dingen. Ze zijn vaak een beetje boos over hoe ze behandeld worden. En ik vind dat in mijn dromen ook volkomen normaal. Terwijl we niet eens een poes hebben.”

Heb je ook de ‘typische dromen’ die volgens Freud haast iedereen wel eens had, zoals examendromen of vliegdromen?

„Die heb ik ook. Ik droom als achtenveertigjarige bijvoorbeeld wel eens dat ik in 6 vwo zit en dan moet ik examen doen. Terwijl ik gewoon voor dat examen ben geslaagd. Maar ik bleef destijds in de vijfde klas zitten en ik droom geregeld dat ik wéér ben blijven zitten. Of dat het examen niet geldig was en over moet. Bij het wakker worden ben ik echt opgelucht dat het maar een droom was. Over vliegen droom ik ook geregeld. In die droom voelt dat volkomen vanzelfsprekend. Meestal leun ik wat achterover, alsof ik op mijn rug zwem, de lucht is dan eigenlijk een fauteuil. Ze zijn heel plezierig, het zijn eigenlijk meer zweefdromen dan vliegdromen, want het is nooit actief en het gaat ook niet heel hard. Die dromen zijn altijd mild, omdat je in dromen ook geen pijnervaringen hebt. Als je tegen een muur botst gaat dat heel zacht, zoals je in een bootje aanmeert.”

Op je zestiende vertelde je moeder je dat je langzaam doof zou worden. Hoe was dat?

„Toen ik dat hoorde heb ik een paar dagen gedacht: ik kap ermee, wat heeft dit kutleven nou nog voor zin, het wordt alleen maar slechter. Maar ja, hoe ik dat dan praktisch moest regelen wist ik ook niet precies. Ik zat maar op mijn kamer en deed niks meer. Ik ging altijd slapen met de radio aan, want dan wist ik zeker dat ik die nog hoorde. Op een morgen had mijn moeder die radio uitgezet en toen was het stil. Ik hoorde de wind in de populieren ruisen en ik rook seringen en blauwe regen. Toen ben ik opgestaan en in het raamkozijn gaan zitten, in de wind en die geuren, en toen is er in een paar seconden iets enorm veranderd. Ik dacht, wat een zelfmedelijden, ik hoor die bomen nog, er is de afgelopen dagen eigenlijk niets veranderd en als er iets verandert zal dat heel langzaam gaan – wat is er nou eigenlijk veranderd sinds ik die mededeling kreeg, niks toch? Mijn gehoor gaat er niet sneller of langzamer door achteruit. En er is nog van alles in de wereld. Er is bier, er zijn meisjes, er is school, er is muziek, er is nog zo verschrikkelijk veel te ontdekken. Het was in één keer voorbij. Dat is óók de kracht van een pubergeest: die kan zich tegen je keren, maar ook met je. Toen was ik van die angst voor doof worden af.”

Kwam die angst ook tot uitdrukking in dromen?

„Ik had in die tijd wel eens de angstdroom dat ik mensen ontmoette en ze niet kon verstaan. Ik hoorde ze wel, ze hielden hele verhalen, maar het was of ze Lets spraken, ik begreep er niets van.”

De angst was dus eerder dat je niet meer kon communiceren dan dat je niet meer kon horen?

„Ja. Maar ik heb in die tijd ook wel dromen gehad dat ik echt niks hoorde. Dat ik wel de wind tegen mijn wang voelde, de zachte bodem, het moest ergens in een bos zijn, maar ik kon dan niet horen of er mensen waren. Het doet denken aan wat er gebeurt als Mariska en ik gaan zwemmen in zee. Dan moet ik die oortjes uitdoen. Dat voelt altijd heel eng in het begin. Want je hoort een vol strand, je hoort mensen, de branding – en je doet die oortjes uit en opeens is het hele strand leeg! En ik ben alleen, volkomen alleen. Mariska moet dan mijn hand pakken. Dicht bij zee hoor ik gelukkig de golven weer en het geschreeuw van de mensen in zee, maar dat eerste niemandsland... Dat kwam dan ook in die angstdromen. Dat had ik nog nooit in het echt ervaren, want ik hoorde nog vrij goed. Maar die dromen namen daar als het ware een voorschot op. Ze zijn nu weg. Het is geen issue meer in mijn dromen. Ik kreeg oortjes aangemeten en daar kon ik goed mee horen. Ik droom wel eens over die oortjes, maar dat is denk ik zoals een ziende over zijn bril kan dromen.”

Zou je voorwerpen of situaties uit je droom kunnen natekenen?

„Ik denk het niet. Ik las over een experiment waarin ze blinden iets uit hun droom lieten tekenen en dan zouden die tekeningen niet te onderscheiden zijn van de tekeningen van geblinddoekte zienden. Dat lijkt me heel dubieus. Je herkent de tekening van een blindgeborene onmiddellijk. Als je blind bent geboren kun je heel moeilijk de vertaling van driedimensionaal naar tweedimensionaal maken. Je hebt geen idee hoe dat moet. Ik heb er wel veel over gesproken met beeldend kunstenaars en er is mij van alles uitgelegd over perspectief en verdwijnpunten en zo, maar ik vind het nog steeds heel moeilijk. Als je een hond van opzij tekent, teken je die met twee poten, de andere twee bedenk je erbij. Dat is voor mij al niet te doen. Ik kan hem ook niet als zodanig herkennen. Als je hem in reliëf zou uittekenen, zou ik denken: dat is een boogachtig ding, met een uitsteeksel, maar ik zou niet weten wat het is.”

Erotische dromen hebben vaak met gluren en loeren te maken, een sfeer die jij prachtig hebt getroffen in je nummer ‘Het naaktstrand’. Wat voor gedaante hebben erotische dromen bij jou?

„Die gaan altijd over voelen, aanraken, tasten, het zijn hele zachte dromen, met iemand die heel nabij is. Ze kunnen nooit te heftig zijn, want dan word je natuurlijk wakker. Het is meer een soort voorspel, strelen, altijd maar voorspel. Ze zijn ook nooit met één iemand in het bijzonder. Mensen die zeggen dat ze zelfs in hun erotische dromen trouw zijn geloof ik niet.”

Zienden hebben wel eens dat ze dromen over een vriend, terwijl die vriend er in die droom heel anders uitziet. Toch weten ze zeker dat het die vriend is. Ken jij dat ook?

„Zulke persoonsverschuivingen gaan bij mij door stemwisselingen. Stel, ik droom van jou en jij verandert in Mariska, dan is het niet zo dat jij van gedaante verandert, want gedaantes bestaan voor mij niet, maar jouw stem verandert in die van Mariska. Daarmee is nog niet gezegd dat jij dingen gaat zeggen die Mariska zou zeggen. Jij kunt dingen blijven zeggen die je als Douwe zou zeggen. Je kunt iets vertellen over een of ander onderzoek – met de stem van Mariska. Soms verandert dat ook weer, dan ben jij klaar met je verhaal en dan zeg jij opeens iets wél als Mariska, dan ben je echt Mariska geworden. Ik vind het in dromen vaak lichtelijk eng, als mensen opeens met de stem van een vertrouwd iemand gaan praten.”

Zijn er mensen van wie je veranderingen in het uiterlijk al tastend als het ware bijhoudt en verschijnen die veranderingen dan ook in je dromen?

„Mariska verschijnt alleen maar in mijn droom zoals ik haar voel, zoals ze nu is. Als ik van mijn broer zou dromen en ik zou hem aanraken, dan zijn dat alleen maar zijn handen, een schouder of zoiets. Mariska kan ik tot in detail dromen.”

Dit interview is een voorpublicatie uit De dromenwever, het nieuwe boek van Douwe Draaisma, hoogleraar geschiedenis van de psychologie in Groningen, dat volgende week verschijnt. Historische Uitgeverij, €25

    • Douwe Draaisma