Slecht samengevat

Deze week verscheen het vijfde IPCC-rapport over de staat van het klimaat. Van het boekwerk van 2.200 pagina’s werd voor beleidsmakers een handzame samenvatting gemaakt. Maar die is niet accuraat.

Ook het integrale IPCC-rapport over broeikaseffect en klimaatverandering kan nu gelezen worden. Nadat vorige week al de Samenvatting voor Beleidsmakers, (Summary for Policy Makers, SPM) was uitgebracht, werd afgelopen maandag het onderliggende rapport op de site ipcc.ch gezet.

Ruim 2.200 bladzijden over de fysische achtergronden van klimaatverandering. Nog niet in definitieve vorm, maar al wel voorzien van de schitterende grafieken die het rapport zo lijvig maken. De papieren versie verschijnt in januari bij Cambridge University Press. Later komen ook nog de rapporten van twee andere IPCC-werkgroepen.

Het nu uitgebrachte rapport is in essentie een serie review-artikelen die elk het formaat van een boek hebben. Het hoofdstuk over de evaluatie van klimaatmodellen telt wel 200 bladzijden. Het kortst zijn nog de hoofdstukken over de oceanen en de cryosfeer (gletsjers en ijskappen): 100 bladzijden.

Verrassend nieuws brengt het rapport niet. Bestaande aannames krijgen een steviger fundament, nieuwe twijfel wordt breed uitgemeten, oude kwesties worden definitief afgehandeld. Nergens ontstaat de indruk van vooringenomenheid. De mechanismen achter de klimaatverandering lijken zoetjesaan wel duidelijk. Nieuw is de aandacht voor oceaanverzuring en de mogelijkheid van ‘geo-engineering’ (ingrepen in atmosfeer of oceaan). Voornaamste conclusies zijn al eerder genoemd: het is nu nog zekerder dat de mens de oorzaak is van de recente opwarming, maar de verwachte temperatuurstijging is iets naar beneden bijgesteld. De bovengrens van de mogelijke zeespiegelstijging ging juist iets omhoog.

Beleidsmakers komen natuurlijk niet aan die 2.200 pagina’s toe. Toch wordt daar kennelijk van uitgegaan, gezien de moeite die men neemt om bij elke conclusie aan te geven hoe waarschijnlijk het is dat die ook juist is. Wat een politicus aan moet met het verschil tussen een waarschijnlijke juistheid van 80 procent en 90 procent is een raadsel. Nog erger is het met het ‘vertrouwen’ (confidence) dat in conclusies wordt uitgesproken, dat berust op het fingerspitzengefühl van een groep experts. Soms, als er maar weinig bewijs is maar de wetenschappers het wel eens zijn, kan toch zomaar groot vertrouwen ontstaan: medium evidence + high agreement = high confidence. Dit komt gevaarlijk dicht bij science-by-consensus.

Beleidsmakers lezen de samenvatting die speciaal voor hen is opgesteld. Geeft die een goed beeld van de conclusies uit het hoofdrapport? Daar gaat het om. De voorlopige conclusie is: nee. De SPM is op veel punten rommelig en onduidelijk en wijkt soms wezenlijk af van het hoofdrapport.

Snelheid zeespiegelstijging

Een mooi voorbeeld is de recente zeespiegelstijging waarvan het hoofdrapport in paragraaf 3.7.4 onomwonden zegt dat daarin nog geen versnelling is aangetoond. Maar de SPM noteert dat het ‘likely’ is dat de snelheid waarmee het zeeniveau stijgt, sinds het begin van de twintigste eeuw is blijven groeien. Tussen 1901 en 2010 was de stijgsnelheid 1,7 mm per jaar, tussen 1971 en 2010 was het 2,0 mm/jaar en tussen 1993 en 2010 was het 3,2 mm/j. Steeds sneller, denkt de buitenstaander. Maar sinds 1920 is de stijgsnelheid gemiddeld praktisch constant, het tempo varieert gewoon wat.

Net als het hoofdrapport concludeert de SPM dat de frequentie van hittegolven en perioden met extreem veel regen regionaal is toegenomen. (Er is géén zekerheid over een mondiale trend.) Het hoofdrapport voegt daar aan toe dat natuurlijk veel afhangt van de definitie van deze gebeurtenissen, en, niet onbelangrijk, dat er geen mondiale trend te zien is in overstromingen. Dit laatste krijgen de beleidsmakers niet te horen.

De rond 2000 ingetreden stabilisatie van de mondiale temperatuur wordt door het IPCC het ‘hiaat’ genoemd. Men ziet het als het effect van een samenloop van gebeurtenissen. Het IPCC wil temperatuurtrends koste wat kost over perioden van minstens 15 jaar beschouwen. De trend tussen 1998 en 2012 (0,05 graad Celsius stijging per decennium) is minder dan de snelheid tussen 1951 en 2012 (0,12 graad per decennium). In het hoofdrapport (paragraaf 2.4.3) staat erbij dat die 0,05 graad niet statistisch significant van nul verschilt. De kleine manipulatie veranderde een stabilisatie in een afzwakking. Had men gemiddeld over de periode 2000-2012 dan was er ook gewoon nul verschenen.

Hockeystick-kwestie

Het is niet zo dat de dichterlijke vrijheden stelselmatig dezelfde kant op werken. Zo noteert de SPM dat niet valt uit te sluiten dat het tijdens de Middeleeuwen soms even warm was als nu – zoals klimaatsceptici al veel langer claimden. Dit is de beruchte hockeystick-kwestie die overigens niet bij naam genoemd wordt. Maar het hoofdrapport (5.3.5.1) laat zien dat deze conclusie alleen is toegestaan als je temperatuurschommelingen over perioden van 50 jaar middelt. Neem je 30 jaar dan klopt het al niet meer.

Ook ‘de Deense hypothese’ is niet makkelijk terug te vinden. De Denen Svensmark en Friis-Christensen opperden in 1997 het vermoeden dat wolkvorming sterk wordt beïnvloed door de hoeveelheid kosmische straling die de aarde bereikt. Omdat die straling varieert met de wisselende zonneactiviteit zou de invloed van de zon op klimaatverandering wel eens forser kunnen zijn dan gedacht. Er werd destijds veel van verwacht, maar de theorie is niet houdbaar gebleken, zoals het hoofdrapport netjes beschrijft. De SPM zwijgt in alle talen over kosmische straling, hoewel de laatste ‘draft’ van juni er nog wel een alinea over had. Hoeven beleidsmakers niet te weten.

Mondiale luchttemperatuur

In de media ging de meeste aandacht uit naar de SPM-alinea waarin staat dat het ‘extremely likely’ is dat menselijke invloed de dominante oorzaak is van de opwarming die sinds het midden van de twintigste eeuw wordt waargenomen. Dat soort uitspraken berust op het vertrouwen in temperatuurmetingen en klimaatmodellen. (‘Extremely likely’ is in IPCC-definitie een waarschijnlijkheid van meer dan 95 procent.) Het is raar gezegd omdat de mondiale luchttemperatuur tussen 1940 en 1970 juist daalde en na 2000 niet verder steeg, terwijl nu de suggestie is dat we 60 jaar stijging achter de rug hebben. Het is ook schijn-exact, want wat zou ‘dominant’ zijn? In het hoofdrapport staat ‘meer dan de helft’ en zo stond het ook in de SPM-draft van juni. Waarom moest het opeens vager?

We stellen vast: een indrukwekkend rapport heeft een ondeugdelijke samenvatting gekregen.

    • Karel Knip