Pruimen als je op tijd loon uitbetaalt

De drie scheepswerven die Servië nog overheeft, zijn Nederlandse bedrijven.

In het provinciestadje Kladovo zijn inmiddels meer Nederlandse ondernemers neergestreken.

Schepen op de Donau bij Pancevo in Servië. De laatste scheepswerven in het land worden gerund door Nederlandse ondernemers. Foto Bloomberg

Reinder de Jonge, destijds binnenschipper, was begin jaren 90 op vakantie in Joegoslavië. De oorlogen in Kroatië en Bosnië moesten nog uitbreken en Joegoslavië was relatief welvarend, met salarissen van 1100, 1200 Duitse Mark, herinnert hij zich. Een kwart eeuw later is De Jonge met zijn broer Gerrit in Kladovo in Servië eigenaar van een 20 hectare grote scheepswerf en een staalbedrijf.

De lonen in voormalig Joegoslavië hebben een val gemaakt. Een bewaker verdient 250 euro netto per maand, een lasser 400 en een voorman hooguit 600. Dat maakt Servië een goedkoop productieland, aan de rand van de Europese Unie.

De werknemers in de vroegere socialistische staat zijn in ruim twintig jaar kapitalisme gewend geraakt aan achterstanden, wachten op geld, werkgevers die de schulden laten oplopen en dan heronderhandelen. Als werkgever op tijd salaris betalen levert je uit pure dankbaarheid al „emmers met pruimen op”, zegt directeur Maurice van Hurck van Rodenstaal Balkan, het staalbedrijf van de Gebroeders de Jonge in Kladovo.

Kladovo is een afgelegen provincieplaats in de zuidoosthoek van Servië, waar de Donau de grens met Roemenië vormt en een grote stuwdam de twee landen verbindt. Onder het socialisme werd hier het varend materieel van de staat onderhouden en gerepareerd. In 2004 is de werf geprivatiseerd en gekocht door een Nederlander, die hem in 2009 doorverkocht aan De Jonge.

Inmiddels is in Kladovo een cluster van Nederlandse bedrijven ontstaan. Behalve de scheepswerf en het staalbedrijf zitten er betimmeringsbedrijf Dutch Design Studio en pijpleidingenfabrikant PSI, dochter van het Nederlandse Breko. Cor van Dinther, eigenaar van Dutch Design, is aan de oever van de Donau ook een strandtent begonnen. Nederlandse ingenieurs zijn betrokken bij de sanering van tientallen Duitse scheepswrakken uit de Tweede Wereldoorlog die bij Kladovo in de Donau liggen en bij laag water de scheepsvaart hinderen.

Reinder de Jonge is bij toeval in Kladovo terechtgekomen, vertelt hij. Nadat hij zijn schepen had verkocht werd hij scheepsmakelaar en zocht hij locaties om schepen te kunnen laten bouwen. Vele daarvan lagen in het voormalige Oostblok. Voor grotere series ging hij naar China. De kwaliteit is daar volgens hem lager, maar wie tientallen schepen tegelijk bestelt en de transportkosten geen bezwaar vindt, kan stukken goedkoper laten produceren.

In 2000 kwam hij voor een bestelling van vijf schepen in Servië terecht, waar de economie op dat moment volledig stillag na de NAVO-bombardementen in 1999 om de Servische agressie in Kosovo te stoppen. Sinds de val van de Servische leider Slobodan Milosevic en het opheffen van de economische sancties tegen het land, gaat het er economisch iets beter.

Intussen was de vraag naar scheepsbouwcapaciteit wereldwijd hoog; tussen 2005 en 2008 was het gebrek aan werven nijpend. Juist in die tijd werd de Gebroeders De Jonge de werf in Kladovo ter overname aangeboden.

Op de economische crisis die in 2008 uitbrak hadden ze niet gerekend, maar die lijkt hen nauwelijks te raken. „We zitten nog een jaar vooruit vol.” Jaarlijks gaat er 6000 ton staal – uit Macedonië – om en zijn er 270 werknemers aan de slag, van wie 120 in vaste dienst. Ze doen zowel onderhoud en reparatie als nieuwbouw. De cascotankers worden om financieringsredenen in Nederland afgebouwd. De omzet is op het moment zo’n 15 miljoen euro per jaar.

Andere werven in Servië zijn intussen de een na de ander over de kop gegaan of hebben de bedrijfsvoering stilgelegd. Van de ruim tien werven die er tussen 2000 en 2008 waren, zijn er nog maar drie in bedrijf. En allemaal zijn ze in Nederlandse handen. De grootste is van De Jonge uit Lochem, de twee andere zijn van Vahali Shipyards bij Arnhem.

„Contacten”, is de verklaring van De Jonge voor het feit dat de Nederlandse werven het wel redden. De scheepsbouw en binnenvaart noemt hij „één grote familie”; Van Hurck omschrijft het als een ons-kent-ons-en-ons-gunt-ons-wereldje. En daarin heeft De Jonge een groot netwerk. Wat doen Nederlandse ondernemers dan anders dan de Servische? „Eerlijk communiceren”, zegt Van Hurck. „Serviërs en Roemenen antwoorden op alles direct dat het kan en dan blijkt later vaak dat het toch niet kan. ‘Veel beloven, weinig geven, doet de gek in vreugde leven’. Wij nemen de tijd om de mogelijkheden te bekijken en maken dan een realistische inschatting.”

Van Hurck is gedurfd ondernemen niet vreemd. Hij zat tot midden jaren negentig op Cuba en verkocht daar van alles, „van melkpoeder tot knakworsten”. Daarna zat hij in Roemenië en sinds 2007 in Servië. Hij heeft zich aangepast aan de mores in het provinciale Kladovo, waar zo’n 7000 mensen wonen en waar weinig vertier is. Net als Serviërs verbouwt hij naast zijn huis zijn eigen groenten. Alleen de gewoonte om alles met sterke drank te ‘vieren’ wijst hij af. „Was ik om half tien bij de dokter met een klacht, trok die een fles whisky uit zijn la omdat ik gezond blijk te zijn. ‘Moeten we op toosten’. Zijn gang zat vol wachtende patiënten.”

Kladovo heeft als groot voordeel de enorme ruimte, zegt De Jonge. Op de vroegere staatswerf kunnen schepen onbeperkt parkeren, wat op andere werven vaak een probleem is.

De Jonge en Van Hurck zijn optimistisch. De economische crisis lijkt voorbij het dieptepunt. Enig probleem is dat Serviërs, getraumatiseerd door bijna een kwart eeuw neergang, hun optimisme niet delen. In de regio trekken jonge mannen, de potentieel toekomstige werknemers van de scheepswerf, weg. De meesten zoeken hun heil als dagloner in de bouw in Oostenrijk of Italië. Het voetbalveld van de werf ligt er verloren bij.

    • Marloes de Koning