Moeten de deuren dicht?

Na interne crises bij Codarts en ArtEZ zijn er nu ook problemen bij de Amsterdamse kunstacademie. Met een nieuwe directie hoopt de academie volgende week een cruciale toets te doorstaan.

De ingang van de tijdelijke locatie van de Academie voor Beeldende Vorming, aan de Zeeburgerdijk in Amsterdam.

Jet de Ranitz is het in de zomer van 2012 he-le-maal zat. Op het bureau van de collegevoorzitter van de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten ligt een rapport met de resultaten van een onderzoek naar de Academie voor Beeldende Vorming (BVO), één van de zes faculteiten van de hogeschool. In een mail aan het BVO-personeel zegt De Ranitz „zwaar te tillen” aan de bevindingen. Zo is er „op bepaalde plekken nog steeds sprake is van ja zeggen en nee doen”. Ze besluit met de mededeling dat „dit soort gedrag in de toekomst niet meer getolereerd zal worden”.

Het onderzoek, uitgevoerd in opdracht van De Ranitz, legt genadeloos de zwakke plekken bloot van de academie die aankomende week wordt bezocht door de NVAO. Deze Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie licht iedere zes jaar elke opleiding in het hoger onderwijs door. Als die niet aan hun normen voldoet, moeten de deuren dicht.

Bij de Amsterdamse academie, een opleiding tot docent beeldende kunst en vormgeving met momenteel ongeveer 300 studenten, heeft men extra reden met spanning uit te zien naar het bezoek. Uit gesprekken met betrokkenen en tal van interne documenten, die in het bezit zijn van deze krant, blijkt dat de opleiding al jaren wordt verscheurd door interne problemen.

Dat is geen unieke situatie in dit deel van het onderwijsveld. In 2011 vertrekt directeur Jikkie van der Giessen van de Rotterdamse hogeschool voor de kunsten Codarts noodgedwongen nadat de medezeggenschapsraad een vernietigend rapport over haar leiderschapstijl publiceert. Van der Giessen zei daar indertijd over: „Ik zeg waar het op staat en heb krachtig moeten optreden, bijvoorbeeld door iemand te ontslaan.” En in februari van dit jaar ruimt het voltallige college van bestuur van de kunsthogeschool ArtEZ, met vestigingen in Arnhem, Zwolle en Enschede, het veld. Reden: een onoplosbaar geschil tussen het college van bestuur en het (onderwijzend) personeel. Gerrit Grotenhuis, voorzitter van de raad van toezicht: „Er moest worden ingegrepen, het vertrouwen was weg.”

Zorgelijke proporties

De problemen bij de Academie voor Beeldende Vorming in Amsterdam, ontstaan uit fusies, sluimeren al jaren en nemen drie jaar geleden zorgelijke proporties aan. Robert Smit, directeur van de academie, wil het onderwijs grondig moderniseren. Studenten moeten „in optimale zelfstandigheid en verantwoordelijkheid” werken, waarbij de „hybride docent de positie van begeleider inneemt”.

Smit voert zijn nieuwe curriculum in 2011 in. Een deel van de docenten saboteert de vernieuwing. De autonomie van de kunstenaar is volgens hen in het geding. Bron van niet aflatende ergernis is de opstelling van Smit die als autoritair wordt ervaren. „Men ervaart de werksfeer als negatief en er is veel kritiek op de directie”, luidt de conclusie van een onderzoek onder medewerkers in oktober 2011.

Toch grijpt De Ranitz aanvankelijk niet in. Ze heeft haar handen vol aan de zoektocht naar nieuwe directeuren voor liefst drie faculteiten (zie kader) en de bezuinigingen van het kabinet Rutte I, die de hogeschool direct treffen. Tot begin 2012. Dan stelt ze de externe evaluatiecommissie in ter voorbereiding op de accreditatie.

In juni 2012 brengt de commissie haar vertrouwelijke rapport uit. Het oordeel is hard. In weerwil van Smits plannen hebben studenten „juist meer behoefte aan structuur”. Anderen zien de verandering „als een afnemende investering van de opleiding”. Nog pijnlijker is de kritiek op Smits beperkte toegankelijkheid. „Zij zeggen geen feedback te krijgen op (…) brieven of een persoonlijk gesprek met de directeur”. De sfeer onder het personeel laat nog altijd te wensen over. „Kritiek vindt een uitweg in de wandelgangen of zelfs in gesprekken met studenten.” Bovendien willen docenten niet werken „met protocollen en formulieren ‘met bolletjes’ (criteria) en laten zich er tegen studenten laatdunkend over uit”.

Ook die studenten verkennen de grenzen van hun vrijheid, constateren de onderzoekers. Te frequent komen studenten er mee weg als zij te vaak afwezig zijn bij lessen. „Het komt zelfs voor dat altijd afwezige studenten uitsluitend op basis van een geslaagd werkstuk een hoog cijfer wordt gegeven.” Hier klinken echo’s van het rapport dat de onderwijsinspectie in februari 2012 over Codarts publiceerde. De belangrijkste conclusie: bij Codarts schoot het bijhouden van de studievoortgang ernstig tekort, net als de schriftelijke onderbouwing van vrijstellingen van studenten voor vooral theoretische vakken.

Het volgens De Ranitz „pittige” onderzoeksrapport maakt volgens haar en Smit dat er „iets extra’s nodig is” om de accreditatie goed door te komen. Immers, de vorige accreditatie in 2007 is „met de hakken over de sloot” behaald, memoreert de collegevoorzitter in een interne memo. Om de structuur en de cultuur te veranderen, huurt De Ranitz bij adviesbureau Boer & Croon manager Mathilde Zierikzee in. Een methode die ook bij ArtEZ is toegepast.

Zierikzee laat er geen gras over groeien en meldt De Ranitz na een maand haar bevindingen: Smit is het probleem en moet eruit. Op 15 november 2012 is de breuk definitief. Smit, die zelf niet wil reageren, gaat zich na zes jaar directeurschap „concentreren op zijn kunstenaarschap en docentschap”, luidt de officiële verklaring. Hij gaat driekwart jaar met verlof met behoud van salaris en zal in september op parttime basis terugkeren als docent. Iets wat nog niet is gebeurd.

Zierikzee wordt op interim-basis Smits vervanger. Ze maakt korte metten met zijn geesteskind van ‘studentgestuurd onderwijs’. „Het was een misvatting dat het was bedoeld als ‘afspraak’ waarbij de student onbegeleid aan het werk ging”, schrijft ze in een kritische zelfreflectie in juni 2013.

Zierikzee zet de ramen wijd open. „Mathilde heeft de putdeksel eraf gehaald en maakt nu het riool schoon”, zegt een betrokkene enthousiast. Anderen zijn juist zeer sceptisch. Een docent, die uit angst zijn baan te verliezen anoniem wil blijven: „Iedereen mocht meepraten over de toekomst. Maar ze doet precies wat ze zelf wil.” Een andere docent: „Je ziet dat ze niet afkomstig is uit de kunstsector.”

Onder druk van een dreigend tekort van zeven ton grijpt Zierikzee in. Per mail: „De vraag is: wie willen vertrekken of eventueel wat anders gaan doen? Dat willen we in alle rust en grondigheid verkennen.” Dit in contrast met onderlinge directiemails over de reorganisatie van een maand eerder: „Kunnen mensen bewegen? Waar wel, waar niet? We zijn laat!” En: „Hoe om te gaan met onwrikbaarheden en rechtspositioneel gedoe?”

De grootste zorg van Zierikzee en De Ranitz blijft echter de accreditatietoets. Bij de voorbereiding in de afgelopen maanden loopt de spanning op. In een conceptversie van de verplichte zelfevaluatie noteert Zierikzee in de kantlijn bij de redenen om de afstudeerfase opnieuw te herzien: „Hoe kunnen we dit tactisch formuleren? Graag advies.” De trainingen die de docenten met het oog op de visitatie verplicht moeten volgen, wekken achterdocht. „Moeten we een toneelstuk gaan opvoeren?” De Ranitz: „Ik begrijp de scepsis maar het is belangrijk om mensen goed voor te bereiden.” Zo struikelt de opleiding richting de accreditatietest van volgende week.

De Ranitz heeft er desalniettemin „vertrouwen” in. „Wat altijd spanning oplevert is de autonomie van de kunstenaar versus de vereisten waar wij als opleiding en zij als docenten aan móeten voldoen. Dat is voortdurend zoeken naar een balans. Ondanks dat het niveau voldoende was, was het hier te vrijblijvend. Die tijd is voorbij.”