Laten we vaker sprookjes vertellen

Door onze orale traditie te verwaarlozen, werken we ontlezing in de hand. Vertel vaker sprookjes, schrijft Bas Belleman in deze Kinderboekenweek.

Waarom willen we kinderen eigenlijk voorlezen? Zingen we een liedje voor hen, dan noemen we dat geen voorzingen. Ook nemen we kinderen mee naar een museum en doen we niet aan voorschilderen.

De gedachte lijkt simpel: kinderen kunnen nog niet lezen, daarom doen wij het voor hen. Althans, we zouden het moeten doen. Er is een hele machinerie opgetuigd om ons ertoe te bewegen. Het CPNB heeft 2013 tot het jaar van het voorlezen uitgeroepen; Kinderboekenweek vindt deze week plaats. Jong gehoord is oud gelezen.

Maar de voorvechters van het voorlezen zien iets over het hoofd. Het gaat niet om het boek. Het gaat om het verhaal. Als voorlezen een beetje stroef gebeurt, als de voorlezer moe is en zich een paar keer verspreekt, dan kun je het gevoel krijgen naar de notulen van een verhaal te luisteren. Het boek is dan als een navertelde grap: je had erbij moeten zijn.

Als iemand uit zijn hoofd een goed verhaal vertelt, dan gebeurt het inderdaad waar je bij bent. Dat maakt het zo intiem. Nooit meer zal het verhaal op precies diezelfde manier worden verteld en jij bent getuige. Mijn vader vertelde mij sprookjes voor het slapen gaan en daar kan ik nog steeds naar terug verlangen.

Toch is er weinig aandacht voor het vertellen van verhalen. We lijken vergeten dat de ‘orale traditie’ eeuwenlang dominant is geweest. De Odyssee en Ilias stammen uit de orale traditie, net als de metamorfosen van Ovidius en de verhalen in de bijbel. In latere eeuwen vertelde men sprookjes. Er waren niet of nauwelijks boeken of men kon ze niet lezen. Sprookjes waren van het volk en vonden maar zelden een plaats in hoogstaande literatuur. Pas in de negentiende eeuw (denk aan Hans Christian Andersen en de gebroeders Grimm) kwam er enige waardering voor sprookjes, al bleef het halfslachtig: sprookjes werden al snel verbannen naar de kast met kinderliteratuur.

Het sprookje is steriel gemaakt. Alleen psychoanalytici lijken zich nog serieus met sprookjes bezig te houden, maar dan als voertuigen van symptomen: de wolf als het kwaad, de haat van stiefmoeders, het opsluiten van prinsessen. Om de kunst lijkt het niet te gaan.

We geven te weinig om sprookjes. Dichters en schrijvers roepen wel eens een ‘sprookjesachtige sfeer’ op of verwijzen ironisch naar prinsessen, kikkers en heksen, maar ze verhouden zich niet serieus tot deze traditie. Alsof sprookjes nooit veranderen en daarom ook geen hertelling nodig hebben om in leven te blijven. Alsof we Beethoven nooit meer hoeven te spelen, omdat we de melodie al kennen.

Juist de liefde voor de vertelling wakkert het vuur voor lezen aan. Je hebt niet altijd een goede verteller in de buurt. Een boek kan die lacune vullen. De beste boeken klinken alsof de schrijver het verhaal aan jou vertelt. Maar wie herkent dat nog? Door onze orale traditie te verwaarlozen, werken we de ontlezing in de hand.

Waarom leren kinderen wel presenteren, maar niet vertellen? Ze houden spreekbeurten om zich voor te bereiden op de presentaties en toespraken in hun latere leven als professional, maar ze zouden eens een sprookje uit het hoofd moeten vertellen. Ze zouden er zoveel van leren. Het ritme van het verhaal. De betekenis. De toon. Ze zouden versies kunnen vergelijken, de verschillen leren zien. Maar ze zouden vooral eens een verhaal van binnenuit leren kennen.

Voorlezen bestaat wel, maar voorvertellen niet. We zouden vaker sprookjes moeten vertellen. En niet alleen aan kinderen.