Koude Krimoorlog

Op andere dagen slaan ze elkaar in Kiev graag het parlement uit. Maar deze donderdag staan communisten en hypernationalisten en centrumdemocraten in Sevastopol vreedzaam naast elkaar voor het standbeeld van Pavel Nachimov, de admiraal die de de marinebasis tijdens de Krimoorlog (1853-1956) in Russische handen wist te houden.

De communisten (bij de laatste verkiezingen goed voor 13 procent) zijn herkenbaar aan rode hamers en sikkels. De anti-Russische én antisemitische partij Vrijheid (10 procent) aan blauwe vlaggen. En de middenpartij Oedar (Stoot) van topbokser Vitali Klitsjko (14 procent), die aansluiting zoekt bij de Europese christen-democratie (EVP), niet aan groene maar ook aan rode banieren.

Alleen de Partij der Regionen (30 procent) van president Viktor Janoekovits laat verstek gaan. Dat is niet gek. De betogers in Sevastopol eisen dat het stadsbestuur een einde maakt aan zandwinning in zee. Het bedrijf dat het zand afgraaft, ondanks een negatief vonnis van een lagere rechter, komt uit Donetsk en heeft goede banden met zijn stadgenoot Janoekovitsj.

Die protectie is een maatje te groot voor burgemeester van Sevastopol. Daar willen links en rechts zich echter niet bij neerleggen. Het milieu op de Krim moet voorrang krijgen boven de zakenbelangen, zeggen ze in koor.

Maar daarmee is alles wel gezegd over de eensgezindheid voor het standbeeld van admiraal Nachimov. Zelfs in deze milieubetoging kruipt het bloed waar het niet gaan kan. Tot ergernis van de nationalisten wordt Oekraïne in het Noorden nog steeds niet als een eigen natie gezien maar als een Russisch generaliteitsland. Ook Oekraïense communisten zien het in zulke termen. Op een rood spandoek hebben ze geschreven: „Sevastopol, trouwe zoon van moederland Rusland”.

Die familiaire relatie wordt op een ander vaandel uitgelegd: „Klein-Russen, Wit-Russen en Russen: wij allen één bloed, kinderen van het grootse en verenigde Rus”.

De Russofielen hebben met name in Sevastopol een punt. Weliswaar heeft toenmalig partijleider Chroesjtsjov de Krim in 1954 aan de sovjetrepubliek Oekraïne geschonken, een souvenir ter ere van de 300ste verjaardag van de vrede van Pereslavl toen kozakkenleider Bogdan Chmelnitsky protectie in Moskou zocht. Maar Sevastopol, gesticht in 1783 nadat Catharina de Grote de Krim op de Turken had veroverd, is al 240 jaar een echte Russische stad.

Sevastopol is bovendien ook al twee eeuwen het symbool van de militaire presentie van Rusland aan de Zwarte Zee. Sevastopol was in de Koude Oorlog daarom een van de 68 ‘gesloten steden’ in de Sovjet-Unie. Net als Tsjernobyl of Kronstadt. Pas eind 1995 ging de verboden stad open.

Dat wilde overigens niet zeggen dat Sevastopol voor die tijd ook hermetisch gesloten was. In juni 1992 was ik hier zelf een dag: om te praten met de marinemannen op de onderzeebootbasis Balaklava. Ik was er door de scharrelaar/journalist Sasja, liggend op de achterbank van een zwarte Volga, heen gereden. Niemand bekommerde die zich toen om mij. De militairen hadden in Sevastopol wel wat anders aan hun hoofd: overleven.

Zou zo’n verbod twee decennia later wel worden gehandhaafd? Sevastopol voelt zich cultureel meer verwant met Rusland dan met Oekraïne. De kerken van het Moskouse patriarchaat zitten vol. Maar of die loyaliteit zich politiek vertaalt? Ik waag het te betwijfelen. Want de formele Oekraïense soevereiniteit over Sevastopol heeft twee voordelen boven direct Russisch gezag. De prijzen in gryvna’s zijn er lager dan ze in roebels zouden zijn. En je kunt er demonstreren: met of tegen elkaar, voor of tegen de macht.