Koninklijke prijs voor inventieve truttigheid

Een ‘nieuwe beleving’ van de geranium leverde Jorn van Leeuwen een Koninklijke Prijs op. Willem-Alexander eert jonge schilders in tijden van economische malaise.

Koning Willem-Alexander in gesprek met Philipp Kremer, een van de winnaars van de Koninklijke Prijs voor Vrije Schilderkunst. Foto Bram Budel

Twee schilderijen van geraniums, de een met witte bloemetjes en de ander met rode, zijn vrijdagmiddag in het Koninklijk Paleis in Amsterdam bekroond met een van de vier Koninklijke Prijzen voor Vrije Schilderkunst. Een gezapiger onderwerp is moeilijk te vinden, maar schilder Jorn van Leeuwen wist van deze oertruttige plant schilderijen vol diepgang te maken, met diepe tinten zwart die net niet zwart zijn. „Ik vind dat geraniums ten onrechte een negatief imago hebben”, aldus de kunstenaar. „Het is toch gewoon een mooie plant?”

Naast Van Leeuwen kregen ook Wieteke Heldens, Marijn van Kreij en Philipp Kremer een aanmoedigingsprijs van 6.500 euro toegekend. De Koninklijke Prijzen, bestemd voor schilders jonger dan 35 jaar, werden dit jaar voor het eerst door koning Willem-Alexander uitgereikt. Daarmee zet hij de traditie voort waarmee koning Willem III in 1871 begon. Willem-Alexander nam uitgebreid de tijd om, een glas witte wijn in de hand, met alle kunstenaars van gedachten te wisselen. Hij vroeg hun gedetailleerd naar technieken en thema’s. „Mijn moeder heeft schilders ooit omschreven als zieners die ons verrassen”, zei de koning in zijn toespraak. „Zij openen onze ogen voor een nieuwe beleving en zingeving van het alledaagse.”

Dit jaar zonden 225 kunstenaars documentatie van hun werk in, 25 van hen mochten een schilderij ophangen in de galerijen rondom de Burgerzaal van het Paleis op de Dam. Veel van de deelnemers zochten hun inspiratie inderdaad in alledaagse onderwerpen dicht bij huis. Renske van Enckevort wist een mooie compositie te maken van een kaal stuk muur met wat elektriciteitsbuizen en een stopcontact. Jeffrey Dunsbergen schilderde eenvoudigweg de achterkant van een oude briefkaart na. En Dorus Tossijn penseelde een kale tafel tegen een sobere witte achtergrond, op een goedkoop stukje MDF-plaat. In crisistijd, zo lijkt het, gaan kunstenaars vooral sober en pragmatisch te werk.

Juryvoorzitter Benno Tempel zei in het werk van de vier prijswinnaars een „duidelijke emotionele of zachte kant” te herkennen, die gezien kan worden als „een troostrijke handreiking van de kunst in deze tijden van economische malaise”. Kijk maar naar de kindertjes op de schilderijen uit de serie Basic Community van Philipp Kremer, die samen lachen en zingen en elkaars hand vasthouden. Hun felgekleurde kleding smelt als een vrolijk IKEA-kleed aan elkaar. Deze schilderijen zijn zoet in alle opzichten.

De onderwerpen van de jonge schilders mogen dan wat suf zijn, inventiviteit is vooral te vinden in hun materiaalgebruik. Er wordt geschilderd op hoogpolig tapijt en spiegelend papier. Er wordt gewerkt met teer en paraffine, met stickers en tape, met eitempera en beenderlijm, en zelfs met levende vogels. Die laatste hebben op het doek The Memory of Purple van Vladimir Girz puur pigment verspreid tot een paarse abstracte vlek in de vorm van, tja, een paarse vlek.

Willem-Alexander was vooral geïnteresseerd in de interactieve Layar-app die dit jaar voor de Koninklijke Prijs is ontwikkeld. Geestdriftig richtte hij zijn iPhone op het paarse doek om, met behulp van objectherkenning, de andere schilderijen te bekijken die Girz had ingezonden. Daarmee gaf hij deze editie van de aloude Koninklijke Prijs toch nog een hip tintje.

Koninklijke Prijs voor Vrije Schilderkunst. T/m 27 okt in het Koninklijk Paleis, Dam, Amsterdam. Di t/m zo 11-17u. Inl: www.paleisamsterdam.nl