Jawel, want de krijgsmacht bezorgt ons veel krediet

In de internationale arena wordt volop vriendjespolitiek bedreven. Met een bijdrage aan militaire missies verdienen we krediet dat op veel gebieden inzetbaar is, meent Frank Bekkers. Een breed inzetbare krijgsmacht is dus onontbeerlijk.

Opgeblazen en overmoedige ambities zijn het grootste probleem waarmee onze krijgsmacht kampt, betoogt Stephan de Vries. Hij stelt dat het oprekken van nationale belangen ons keer op keer in dure expeditionaire avonturen stort. Laten we eens kijken over welke nationale belangen hij het eigenlijk heeft.

Nederland doet niet aan nepotisme. Jos van Rey moest aftreden als wethouder van Roermond vanwege vermeende corruptie en vriendjespolitiek. Europa streeft naar een gelijk speelveld. Philips en andere elektronicabedrijven kregen vorig jaar een boete van anderhalf miljard euro voor verboden prijsafspraken over televisieonderdelen. Openbare aanbesteding moet ervoor zorgen dat alle bedrijven dezelfde kans maken en selectie uitsluitend gebaseerd is op basis van prijs en kwaliteit, niet op persoonlijke contacten.

Hoe anders werkt het op wereldschaal, in de interactie tussen landen. In de internationale betrekkingen is ‘voor wat hoort wat’ en ‘ons kent ons’ het gebruikelijke en geaccepteerde patroon. Aanwezigheid, relaties en reputatie bepalen de ‘gunfactor’ van een land. Nederland is sterk afhankelijk van deze gunfactor. Ons land vormt een van de meest gemondialiseerde landen. In de KOF-index, dat de mate van integratie van een land in de wereld meet, vormt Nederland met België en Oostenrijk de top drie. De Nederlandse welvaart is dus bij uitstek afhankelijk van onze internationale positie.

In de internationale arena zijn, anders dan op een gelijk speelveld, bewezen diensten uit het verleden juist wél doorslaggevend. Daarbij hoeven dienst en wederdienst niets met elkaar te maken te hebben. Een bekend voorbeeld is dat Nederland door zijn militaire inspanning in Uruzgan een plek kreeg in de G20, waarin de belangrijkste industriële mogendheden zich beraden over het internationale financiële systeem. Deelname aan militaire operaties, ‘naar vermogen’ of liefst ietsje meer, is een belangrijk middel om internationaal krediet op te bouwen. Het is zichtbaar en straalt actieve commitment uit. Het koppelt concrete daden aan diplomatieke woorden, en maakt daarmee dat laatste veel geloofwaardiger. Dit krediet benutten kan vervolgens op allerlei dossiers, niet alleen op veiligheidsgebied.

Het onvermogen en de onwil om substantieel bij te dragen aan internationale militaire operaties leidt aantoonbaar tot afkalving van onze internationale gunfactor. Uit de Wikileaks blijkt dat Nederland zijn plaats in de G20 weer snel verspeelde door ons freerider-gedrag op defensiegebied na 2010. Uit de G20 geknikkerd worden is slechts een voorbeeld voor het sluipende proces van afname van hoge internationale posities voor Nederland en de mate waarin ons land wordt geconsulteerd en betrokken bij belangrijke internationale beslissingen. Niet aan tafel zitten betekent niet mee kunnen beslissen over zaken die onze nationale belangen direct raken.

Het is dus van vitaal belang voor ons land om met enige regelmaat actief te participeren in internationale militaire missies gericht op het bevorderen van de stabiliteit in de wereld. Gaat het dan om „het leveren van dure bijdragen aan – vooral langdurige – expeditionaire operaties”? Betekent het dat „vitale belangen door deze insteek al snel tot in het oneindige worden opgerekt”, zoals De Vries beweert? Neen! Waar het wel om gaat is dat we een krijgsmacht hebben die in verschillende typen missies en onder verschillende omstandigheden in staat is om een geloofwaardige bijdrage te leveren. Dat kan zijn in omstandigheden waarin een direct economisch belang van Nederland in het geding is, zoals in de piraterijbestrijding. Dat kan ook zijn in missies waarin in meer algemene zin wordt bijgedragen aan de internationale rechtsorde en stabiliteit, missies waarin Nederland internationaal aan zijn gunfactor werkt of, zo u wilt, zijn internationale solidariteit toont. Een geloofwaardige bijdrage is zeker niet per definitie langdurig, intensief en exorbitant duur.

Natuurlijk moeten we, zoals ook De Vries betoogt, kritisch kijken naar waar onze militairen wel of niet inzetten. Dat kan ook, want Nederlandse deelname is schaalbaar. Ons land levert immers vrijwel altijd een bijdrage en draagt zelden de hoofdlast van een operatie. We hoeven ook zeker niet altijd mee te doen, dus van het oneindig oprekken van het begrip ‘vitale belangen’ of het opblazen van ambities is geen sprake.

Zoals alle toekomstverkenningen aantonen, kunnen we in de huidige complexe en dynamische wereld niet goed voorspellen welke missies onze kant op komen. Vandaar de verstandige keuze van minister Hennis om vast te houden aan een breed inzetbare krijgsmacht. We hebben echter grote zorgen of die brede krijgsmacht de komende jaren ook echt operationeel is in te zetten.

Er is in de loop van de jaren cumulatief zo fors bezuinigd op de krijgsmacht dat het kunnen realiseren van de inzetbaarheidsdoelstellingen – zelfs nadat ze in de laatste defensienota behoorlijk zijn teruggebracht – de komende jaren op zijn minst uiterst kritisch is. Al vijftien jaar lang poogt ieder volgende defensienota opnieuw ‘evenwicht’ te scheppen tussen ambitie en middelen. Dit evenwicht is bij de huidige begroting zeer precair en zal bij iedere lichte tegenwind, zoals het niet toekennen van prijscompensatie, worden verstoord.

In 2012 had de post pensioenen en wachtgelden een omvang van 1,6 miljard euro, 20 procent van de totale defensiebegroting. Ter vergelijking: de post investeringen bedroeg 17 procent. Het netto Nederlandse defensiebudget, dus zonder de wat oneigenlijke post pensioenen en wachtgelden, is ongeveer 1 procent van ons bruto binnenlands product . We zitten hiermee internationaal ver in de achterhoede. Dit is een van de meest gemondialiseerde landen van de wereld onwaardig. Het valt op, met grote negatieve gevolgen voor onze internationale gunfactor. Het gaat te ver om te zeggen dat hier de oorzaak ligt van het moeizame economische herstel van Nederland, maar dat het niet helpt is zeker.

    • Frank Bekkers