Ik ben een onwillig instrument

Jacobine Geel was al presentator. Nu is ze ook voorzitter van GGZ Nederland. ‘Tot mijn veertigste draaide de wereld om mij, daarna om verbondenheid’, zegt ze bij een salade.

tekst Rinskje Koelewijn foto Ilja Keizer

Theoloog en presentator Jacobine Geel is de nieuwe voorzitter van GGZ Nederland. „Nu ik voorzitter ben, kan ik zelf aan iets helpen bouwen. Vandaar de hamer.”

Jacobine Geel (50) vangen, dat is zo makkelijk nog niet. Lunchen, leuk idee, zei ze meteen toen ik haar vroeg. Dat was in juni. Daarna is onze afspraak afgezegd, verzet en uitgesteld. En zo is het herfst als ze van haar fiets stapt op het Museumplein in Amsterdam. Hoge hakken, glanzend grijze jurk, benen nog bruin van de vakantie. Achteraf had de timing niet beter gekund.

Jacobine Geel, theologe met een

televisieprogramma, is net begonnen als voorzitter van koepelorganisatie GGZ Nederland. Ze is nu belangenbehartiger, voorvrouw en ‘het gezicht’ van de Nederlandse verslavingszorg en psychiatrie.

We klimmen op twee hoge barkrukken aan een tafeltje bij het restaurant van het Stedelijk Museum. We zitten buiten, in de laatste zomerzon. Een handige locatie, zegt ze, vlakbij de basisschool van Jacco, haar zoon van 10, waardoor we maximaal de tijd hebben (tot tien over drie). Razendsnel komt ze ter zake. Of ter zake, dat klinkt te zakelijk. Het is meer alsof ze de deur openzet en zegt: ‘kijk gerust even bij me binnen’.

Ik zeg: GGZ-voorzitter, dat klinkt als een serieuze baan. Zij zegt: „Het is een serieuze kanteling in mijn leven.” Ze had behoefte aan commitment, ze wilde zich „actief verbinden” aan een maatschappelijke functie. „Ik wilde niet langer aan anderen vragen: hoe bouw jij? Nu wil ik zelf aan iets bouwen.” Uit andermans mond had dit vast zweverig geklonken, uit de hare klinkt het... heel normaal eigenlijk.

Jacobine Geel is de oudste dochter van een dominee, deed belijdenis, studeerde theologie en was één jaar dominee. Op haar achtentwintigste in de Dominicuskerk in Amsterdam. „Het mooie aan het beroep is dat je een verbintenis aangaat met een groep mensen, for better and for worse.” Maar? „Ik kon me er niet aan overgeven. Ik ben geen pastoraal type.” Wat is dat voor type? Even hakkelt ze. „Je voert gesprekken om de gesprekken. Daar ben ik niet zo goed in. Als je dominee bent... dan draait het om de mensen in de kerk, je gemeente. Als het met hen goed gaat, doe jij het goed.” Ze veegt haar bijna zwarte ponyhaar uit haar ogen. „Ach, ik was gewoon te jong. Te ongedurig. Ik vond het, zeg maar... saai.”

Eigenlijk wist ze van tevoren al dat ze geen dominee moest worden. Dat lag niet aan de kerk en ook niet aan het geloof. „Godsdienst is een soort archeologie. Generaties mensen zijn door de bijbelverhalen gevormd. Gelovigen rijmen hun leven met die verhalen. Dat vind ik mooi, daar wil ik bij blijven horen.” Ze wist als meisje al dat God groter is dan Nederland, en de kerk niet de enige plek waar waarheid is te vinden. Van haar zevende tot haar dertiende woonde ze in Indonesië. Haar vader was opbouwwerker op Java, en later studentenpredikant in Jakarta. „Geloof hangt voor mij samen met dat land. Het is zo groot, de natuur zo overweldigend, de mensen zo anders. Daar voel je dat er meer moet zijn dan wij alleen. Het heeft me op een onnadrukkelijke manier gevormd.”

Vlak voor ze begon als dominee, ging ze terug naar Indonesië. „Voor het eerst na al die jaren. Daarvoor durfde ik niet. Ik was bang dat ik het oude gevoel niet meer zou hebben. Maar het was er meteen weer.” En wat was dat voor gevoel? „Ik kan daar makkelijker zijn wie ik ben. Relaxter, minder overal bovenop, vertrouwend op m’n intuïtie.” En haar intuïtie zei haar daar dat ze het niet moest doen, dominee worden. Terug in Nederland werd ze het toch. „Makkelijk advies: luister naar jezelf. Het was fijn geweest als ik had kunnen horen wat ik zei.”

Een serveerster komt vragen of we iets willen bestellen. Ze kwam al drie keer eerder langs. We beloven dat we nu echt iets zullen kiezen van de menukaart.

Ik vraag of de kerk te klein voor haar was. Had ze een groter podium nodig, meer publiek? Of klinkt dat erg onaardig? Ze haalt haar schouders op. „Dat kan zo klinken, maar zo was het wel. Ik had het gevoel dat ik als een molletje onder de grond moest leven. Opgesloten. Het leukste van dominee zijn, vond ik het preken.” In 2007 won ze met haar preek de eerste Preekwedstrijd die dagblad Trouw organiseerde. „Met een preek probeer je je publiek mee te krijgen. Het verhaal moet goed zijn, maar je moet het ook overtuigend kunnen overbrengen. Ik dacht: als ik in een gemeente niet tot mijn recht kom, laat dan heel Nederland maar mijn werkterrein zijn.” Een werkterrein met camera’s, schijnwerpers, televisie? „Ik heb de camera niet gezocht,” zegt ze. „De camera vond mij.”

Jaren voor ze op televisie kwam, maakte ze al radioprogramma’s bij de IKON. „Ze wilden graag dat ik voltijds voor ze kwam werken.” Even valt ze stil. Een belangrijk besluit, begrijp ik. Ze knikt. „Ik ben altijd overal doorheen gerold. School, studie. Ik redde het op charme, intuïtie of intelligentie. Die twee uurtjes radio per week deed ik fluitend. Maar als vaste kracht zou ik worden afgerekend op professionaliteit. Dat leek me wel goed voor mij.” Want? „Ik ben een onwillig instrument, ik wilde me nooit laten vangen. Ik zag altijd afleiding, andere wegen die ik ook nog op wilde. Ik ben een omnivoor. Ik wil heel veel, en ook veel tegelijk.”

Eenmaal vast bij de radio, viel het best mee. „Toen ik de stap naar commitment eenmaal had gezet, werd ik ineens voor van alles gevraagd. Een portrettenreeks schrijven voor Trouw, in een bestuur daar, commissie hier.” Na de gewonnen preekwedstrijd in 2007 kwam daar televisie bij. Eerst bij de IKON, later bij de NCRV. Twee keer maakte ze een praatprogramma met haar eigen naam als titel (Geel en Jacobine). De laatste jaren ondervraagt ze in Schepper & co mensen over hun principes en keuzes. Hoe is het om christen te zijn in Syrië? Wat als je zwanger bent van een kind met het syndroom van Down?

Geheadhunt

Een klein half uur voor ze op het schoolplein van haar zoon moet staan, weet ze wat ze wil eten. Een salade. Ik vraag of ze haar televisiewerk zal missen. Nee, zegt ze. Ze blijft haar programma volgend seizoen gewoon presenteren. „Bij de GGZ vinden ze mijn bekendheid van tv een pre.” De vorige voorzitters van GGZ Nederland kwamen uit de politiek (haar voorganger, Marleen Barth, was tevens Eerste Kamerlid voor de PvdA). Jacobine Geel is geen lid van een politieke partij, ze is geen manager of bestuurder. Je vraagt je af hoe ze bij haar terechtkwamen. „Ik ben serieus geheadhunt.” Ze zat al twee jaar in de kaartenbak van een headhunter. „Ik wist niet hoe of wat, alleen dát ik ooit een stap wilde zetten.”

GGZ wilde verrast worden. „Ik was de wildcard.” Bij de GGZ zijn negentig instellingen aangesloten. Jacobine Geel behartigt het belang van de werkgevers, van artsen en verzorgenden én dat van patiënten. „Twee jaar geleden, op het Malieveld in Den Haag kreeg ik voor het eerst een beeld van de sector.” Patiënten demonstreerden tegen de plannen van het kabinet om op de budgetten te korten. „Zevenduizend man. Kolkende toestand.” Jacobine Geel was door de organisatoren van de demonstratie gevraagd de dag vanaf het podium te begeleiden. Waarom zij? „Blijkbaar straal ik voldoende uit dat ik begrijp waar kwetsbaarheid over gaat.” Ook uit eigen ervaring? „Ik weet niet hoe een psychose voelt of een ernstige depressie. Ik herinner me uit mijn adolescentie wel die pure, niet te benoemen angst. Dat mijn leven van mij afhing; als ik dit kies, is dit ook wat het worden zal. Maar gelukkig heb ik een constitutie waardoor ik zelf weer uit de misère kom. Of er is een vertrouwd iemand die helpt.” Maar, zegt ze, het is net als de reparatie van een gaatje in een mooie stof. „Je blijft het altijd een beetje te zien.”

Verkiezingsprogramma

Televisiewerk is heel leuk, zegt ze, maar vrijblijvend. „Ik ben altijd degene die even aanschuift en een vraag stelt. En dan, hup, door naar het volgende.” Ze deed er altijd al langer lopende projecten naast: Ze leidde de commissie Nieuwe woorden, nieuwe beelden van het CDA. Adviseerde een antroposofische GGZ-instelling. Was voorzitter van het Burgerforum over het kiesstelsel. „Als het afgelopen was, baalde ik.” Ze begon te willen wat ze altijd uit de weg ging. Vastigheid. „Zo langzamerhand is dat ‘moeilijk ja-zeggen’ verdwenen als thema.” Het ging vanzelf. „Op mijn veertigste verjaardag zei een vriend: tot je veertigste draait de wereld om jou, daarna om verbondenheid. Dat klopt precies.” Dacht ze echt dat de wereld om haar draaide? „Ja. Eigenlijk wel.”

De salades worden gebracht. Precies op tijd. Voor we beginnen, zegt ze: „Ik heb heus wel eerder ja tegen iets gezegd, hoor.” Tegen haar man – ook theoloog en verandermanager bij bedrijven. Tegen het moederschap. „Zonder kind was ik vast een heel vervelende vrouw geworden.” Haar „Indonesië-gevoel” – relaxter, niet overal bovenop, intuïtiever – heeft ze sinds de geboorte van Jacco ook in Nederland. „Het lukt me nu steeds beter te zijn wie ik ben.”

    • Rinskje Koelewijn
    • Ilja Keizer