Iedereen is welkom op weg naar Rio

Zonder geldsteun wil de coach de weggezakte waterpoloërs naar ‘Rio 2016’ leiden. De clubs krijgen een belangrijke rol en het ‘Zeister model’, in 2008 zo succesvol bij de vrouwen, gaat op de schop.

Robin van Galen wacht „een helse klus”. Foto Andreas Terlaak

Wie de komende jaren op reis wil met de nationale waterpoloploeg is van harte welkom – alles is mogelijk: met de selectie mee vliegen, overnachten in het spelershotel, ontbijten voor de wedstrijd, of in de kleedkamer kijken hoe bondscoach Robin van Galen zijn laatste tactische aanwijzingen geeft. Nee, Van Galen is niet gek geworden. De nieuwe bondscoach wil heel ver gaan om geld binnen te halen voor de lange olympische reis van zijn selectie naar Rio (2016), of anders Tokio (2020). Dus ook met sponsors in de kleedkamer. „Of dat verantwoord is in topsport? Het moet. We moeten budget krijgen. Desnoods met tv-camera’s in de kleedkamer.”

Van Galen is sinds een maand terug in het zwembad in Zeist, waar hij met de vrouwenploeg vier jaar lang smeedde aan het olympisch goud van Beijing (2008). Met hen beschikte hij over een budget van één miljoen euro per jaar. Over het gestage verval van de vrouwenploeg zegt hij weinig, uit angst dat zaken verkeerd worden uitgelegd. „Het succes had verschillende pijlers. Het was vooral een heel goede generatie speelsters, beter dan de huidige.”

Met de mannen begon hij enkele maanden geleden op nul, nadat hij – een beetje tot zijn eigen verbazing – de „helse klus” op zich had genomen. Want het perspectief is gering. Wegens gebrek aan uitzicht op een medaille draaide NOC*NSF begin dit jaar de geldkraan voor de waterpolomannen dicht – dertien jaar na hun laatste olympische deelname.

Toch hapte Van Galen toe. „Elke sporter heeft zijn olympische droom”, zegt hij langs de badrand. „Ik heb mijn droom verwezenlijkt. Dat is niet eens olympisch kampioen worden, maar jezelf meten met je concurrenten, op het allerhoogste niveau. De jongens verdienen dat ook.”

Maar alles moest rigoureus anders, wil de nationale ploeg ook maar in de buurt te komen van Rio. Er moet niet alleen „serieus geld” komen voor trainingen, stages en toernooien, maar ook een heel nieuwe opzet. Mede door geldgebrek nam Van Galen afscheid van wat in waterpolokringen het ‘Zeister model’ heet: vier jaar lang dagelijks trainen in een uithoek van het KNVB Sportcentrum, diep in de bossen.

Vijver

Die aanpak, vijf jaar geleden zo succesvol bij zijn vrouwenploeg, leidt niet automatisch tot olympische medailles. De mannen, ooit (Montreal 1976) goed voor olympisch brons, zijn nu terug te vinden op de twintigste plaats van de wereldranglijst. „Ze hebben de afgelopen vier jaar fulltime in Zeist gewerkt, maar dat heeft niet geleid tot het gewenste resultaat.”

Van Galen, de laatste jaren clubcoach bij het Utrechtse UZSC, wil nu het clubwaterpolo zo sterk maken dat „de vijver” waaruit hij kan putten groter wordt. Nu trainen de spelers van de nationale selectie drie keer per week in Zeist en zeven keer bij hun eigen club. „Een kweekvijver van twintig man is niet genoeg. Met een sterke competitie kun je kiezen uit 120 man. Bovendien ontwikkelen jongeren zich sneller als ze met betere spelers trainen.”

Van Galen zou zelfs niet meer terug willen naar het Zeister model, ook al had hij een sponsor voor een miljoen per jaar. „Je stompt af als je hier tien keer per week traint, die les heb ik wel geleerd. Voor de vrouwenploeg van Beijing werkte het hartstikke goed. Het Zeister model is prima voor de leeftijdsgroep 17-21 jaar, waarbij ze kunnen studeren in Utrecht. Daarna kun je beter bij een topclub trainen. Als je tien jaar in Zeist zit, word je gek. Geestdodend, je ontwikkelt je niet als mens. Het past ook niet echt in de Nederlandse cultuur.”

Het gebrek aan een maatschappelijk perspectief voor een Nederlandse waterpoloër speelt daarbij ook een rol. „Op de Balkan verdient een topper twee ton per jaar. Mijn beste speler krijgt een autootje, of vierhonderd euro per maand.”

Het gebrek aan financiën loopt als een rode draad door de sport. Van Galen strikte tien trainers die de nationale selectie de komende jaren tegen een reiskostenvergoeding helpen, onder wie oud-internationals als Nico Landeweerd, Harry van der Meer en Arie van de Bunt. „Allemaal uit liefde voor de sport”, zegt Van Galen.

Om geld te genereren probeert hij fans aan zijn selectie te binden voor 20,16 euro per maand, of voor 2.016 euro per jaar, als aandeelhouder. Grotere sponsors mogen als reisgenoot mee op pad. „We hebben de laatste drie maanden een ton opgehaald. Dat moet naar een half miljoen.”

Beroepsoptimist

Het is de beroepsoptimist Van Galen ten voeten uit, de man die elke dag opnieuw begint met de tweet: ‘It’s a beautiful day!!’. „We moeten gewoon onze eigen broek ophouden. Ik zie veel bonden huilend achterover hangen omdat ze geen geld meer krijgen van NOC*NSF. Dan denk ik: ‘Neem zelf initiatief’. Hoe moeilijk het ook is in een economische crisis, want wij lopen ook tegen heel veel dichte deuren op.”

Het is een lange weg, weet Van Galen, en het wordt een „hell of a job” Rio te halen. „We gaan op korte termijn nog niet winnen van Italië of Servië. Maar over drie jaar is het kwalificatietoernooi voor Rio. Dan moeten we kunnen winnen van de subtop, van Duitsland, Roemenië. Dat is onze missie. En we zijn zeker niet kansloos.”

Mede om de spelers te inspireren is met de ploeg van Brazilië een uitwisseling afgesproken: Nederland traint tot 2016 elk jaar tien dagen in Rio. „Dan zien ze het olympisch dorp groeien en weten ze dat ze niet voor lul trainen. En Brazilië is natuurlijk een aantrekkelijk affiche voor sponsors die mee willen als reisgenoot.”

Olympisch kampioen zal hij niet worden in Rio. Vijf jaar later wordt hij nog elke dag herinnerd aan het wonder van Beijing. „Ik hoop dat er over vijftig jaar op mijn begrafenis nog over wordt gesproken.”

    • Rob Schoof