Hork

D ie avond, bij het afscheid, verontschuldigde verzorger Gerard Meijer zich voor zijn openhartigheid. Urenlang had hij zijn onverwoestbare liefde voor Feyenoord bezongen. De Kuip was niet zijn tweede, maar zijn eerste huis. In bijna een halve eeuw had hij trainers zien komen en gaan. Niet dat hij een man van koffie en cake was, maar de professionele relaties waren altijd hartelijk geweest. Met bestuur, coach en spelers.

Ook daarom werd hij zo gekoesterd als biechtvader.

Gerard was altijd zo discreet als zijn legendarische spons. Een patina van wijsheid door de járen heen verworven. Of Feyenoord hem nooit teleurgesteld had, vroeg ik. De club niet, mensen wel, fluisterde hij. „Dat heb je als je veteraan bent geworden.”

Tot een open conflict was het niet gekomen, maar op een dag had coach Gertjan Verbeek hem diep gekwetst. Teruggekeerd van vakantie zag hij dat zijn kantoor bij de verbouwing van de Kuip was opgedoekt. Zijn persoonlijke spullen waren door Verbeek himself in dozen bij de vuilcontainer gezet. „Dierbare spullen.” Meijer deed er een paar dagen over voor hij het zijn vrouw durfde te vertellen. Als het aan hem lag, was het gênante voorval binnenskamers gebleven, maar bij een volksclub als Feyenoord lukt dat niet.

„Ik praat er liever niet meer over.”

Als coach van Feyenoord duldde Gertjan Verbeek niemand van het ondergeschikte personeel in de nabijheid van zijn kantoor. Ook de oude Gerard Meijer niet. Nochtans een clubicoon met kracht van onsterfelijkheid. Vergroeid en verstorven met elk grassprietje in de Kuip. In zijn handen werden generaties tot kampioenen gekneed. Verbeek lag er niet wakker van. Als een dorsvlegel beukte hij in op het rood-witte hart van de trouwe soigneur. Alles wat aan Meijer deed denken, moest mee met de vuilnisman.

De spelers van AZ hadden het laatst over een gebrek aan chemie met hun coach. Gebrek aan chemie: eufemisme dat thuishoort in het jaaroverzicht. Verbeek mag blij zijn dat de details van zijn extreme botheid voorlopig buiten de publiciteit blijven. Asocialer kom je het in een kleedkamer in Zimbabwe niet tegen.

AZ had het kunnen weten. De medische staf van Feyenoord beklaagde zich destijds dat er met Verbeek geen land te bezeilen was. De coach werd een slager genoemd die lak had aan blessures en ongemak. Mede door dit beulswerk gingen veertien spelers van de selectie in crisisberaad met de directie. Veertien! Verbeek werd ontslagen.

Voormalig Heerenveen-voorzitter Riemer van der Velde sprak over Verbeek de historische woorden: „Deze man heeft nooit leren leven.” Van leven wist Riemer alles. Het is een drastische uitspraak die aanleunt bij een karaktermoord. In ieder geval lijkt de norse aanblik van Verbeek er op te wijzen dat de goede man weinig zin heeft in het leven. En al helemaal niet in de medemens. Norser dan deze coach worden ze van Zeeland tot Enschede niet meer geboren. Misschien is het ook een handelsmerk, maar dan wel een uit de Koude Oorlog, van het vroegere Oostblok. Het stupide verlangen een tweede Andrei Gromyko te willen zijn. Het gezicht van Gromyko was gesloten als een kolenschop, dat van Verbeek als een shovel.

Geen lachebekje.

Dick Advocaat kon ook mooi boos zijn. In de vaak hooghartige grimassen van José Mourinho is niets terug te vinden van een vlindertuin. Wijlen Rinus Michels kon de pannen van het dak blaffen. Het perpetuum mobile van Van Gaal is altijd gespeeld. Maar de heren hebben ook nog elegantie. En sociaal fatsoen, niet alleen schofferende botheid .

De toekomst van coach Verbeek?

Terek Grozny, zoiets.

Hugo Camps is journalist, columnist en schrijver.