Het droeve lot van Super en Hieper in de heelalkunde

Wie in De bouwstenen van de schepping meer wil lezen over de vraag of neutrino’s sneller dan het licht kunnen bewegen, die bladert vergeefs door het boek. „Vanaf het begin was duidelijk dat de experimentele aanwijzingen dat neutrino’s de lichtsnelheid konden overschrijden, niet waar konden zijn”, schrijft fysicus en Nobelprijswinnaar Gerard ’t Hooft in het nawoord. „En dat waren ze dus ook niet. Er zat een kabeltje verkeerd in de opstelling. Fysici weten inmiddels wel dat het hechte bouwwerk dat natuurkunde heet niet meer zo gemakkelijk aan het wankelen kan worden gebracht.”

Of degenen die anderhalf jaar geleden zo enthousiast met die ‘te snelle neutrino’s’ naar de pers stapten, dan wel fysicus mogen heten, laat ’t Hooft wijselijk in het midden. De bouwstenen van de schepping – voor het eerst verschenen in 1992 en nu aangevuld en bijgewerkt – gaat eerst en vooral over dat hechte bouwwerk van de natuurkunde zelf. Met de nadruk op het bouwsel dat standaardmodel heet, en waarin de bouwsteentjes van de kosmos zijn ondergebracht, samen met de krachten die hen tot materie bijeenbinden.

Zo stevig staat dat bouwsel, dat er in de loop van twintig jaar niet eens veel aan het boek veranderd hoefde worden. Over de raadselachtige neutrino’s is intussen veel meer bekend. De snaartheorie heeft grote stappen gemaakt – al vindt ’t Hooft dat de ideeën over snaren net zo min de naam ‘theorie’ verdienen, als een stoel zonder poten en leuning de naam ‘stoel’ verdient. En natuurlijk wijdt ’t Hooft een hoofdstuk aan de ontdekking van het lang verwachte Higgsdeeltje: het deeltje dat het standaardmodel compleet maakt en dat hij beschrijft als de golfbeweging van de wind in een korenveld.

Écht uitleggen wat het Higgsdeeltje is, blijft onmogelijk, geeft zelfs ’t Hooft toe. Desondanks is zijn boek een feestje om te (her)lezen. ’t Hooft, door veel collega's één van de grootste of zelfs dé grootste levende fysicus genoemd, staat zover boven de stof dat hij moeiteloos alle zwakke plekken herkent en benoemt, en vergezochte of gehypte ideeën mijdt hij zorgvuldig. Zo behoedt hij de lezer voor dwaalsporen en voor een te mooie voorstelling van zaken. Dat gaat samen met een afkeer van superlatieven – supersymmetrie, supernova, supergeleiding. „Terwijl serieuze onderzoekers met zo’n naamkeuze hun laatste kruit verschieten, doen ze mij denken aan de aan lager wal geraakte zakenlui Super en Hieper van Marten Toonder”, schrijft hij.

Het is vast niet toevallig dat ’t Hooft WIMPs (Weakly Interacting Massive Particle) daarna nogal Bommeliaans vertaalt met ZIZO’s (Zwak Interagerende Zware Objecten ) en dat hij steevast over ‘heelalkunde’ spreekt in plaats van kosmologie. Het hoofdstuk over die heelalkunde is ook later toegevoegd en begint met zelfrelativering: „Bij het schrijven van de eerste versie van het boek vond ik nog dat de leer van het ontstaan van het heelal tot een ander vak behoorde. [...] Thans echter wordt algemeen erkend dat de wereld van het allerkleinste en de wereld van het allergrootste nauw met elkaar verweven zijn.”

Juist daarom lenen zwarte gaten, die het kleinste en grootste verbinden, zich zo goed voor gedachte-experimenten die misschien tot ‘nieuwe fysica’ zullen leiden, legt ’t Hooft vervolgens uit. Sterker, misschien zit de grens tot waar de natuur begrepen kan worden, wel daar „waar we de begrippen ‘klein’ en ‘groot’ niet meer kunnen onderscheiden”.

Zo ver is het nog niet. Maar wie intussen de moderne fysica wil leren kennen, die leze dit boek.

Margriet van der Heijden

    • Margriet van der Heijden