Gifgas vernietigen in oorlogstijd Er zijn nog veel open vragen over het opruimen van Syrisch gifgas...

Deze week kwamen de inspecteurs van de OPCW – de internationale waakhond tegen de verspreiding van chemische wapens – in Damascus aan. Ze moeten onder grote tijdsdruk Syrische gifgaswapens vernietigen. Intussen gaat de burgeroorlog door. Een onmogelijke opgave? Een profiel in 6 keer 2 minuten leestijd.

Door onze redacteur Hans Steketee

Ze heten kwartiermakers, maar verkenners lijkt een betere naam voor de eerste groep inspecteurs die deze week in Damascus arriveerde om de ontmanteling van het Syrische gifgasarsenaal voor te bereiden. Want bij de praktische uitvoering van dat besluit door de Organisation for the Prohibition of Chemical Weapons (OPCW), vorige week bekrachtigd door een resolutie van de Veiligheidsraad, horen vooralsnog veel open vragen.

Hoeveel inspecteurs zijn er nodig? Waar moeten die precies gaan kijken? Vinden ze daar wat ze hopen? Houdt Syrië niets achter? Hoe kunnen ze de wapens het beste onschadelijk laten maken? Kunnen ze hun werk wel doen in een oorlogsgebied? Wie beschermt ze – het Syrische leger? Russen die meteen een doelwit worden? Boven alles zweeft nóg een open vraag: wat betekent een akkoord over chemische wapens als het de oorlog niet verkort?

De OPCW houdt sinds 1997 toezicht op de naleving van de Conventie tegen Chemische Wapens (CWC) uit 1993, waarbij Syrië zich vorige maand onder druk van Rusland en de VS alsnog zei te willen aansluiten. Het gebeurde na de gifgasaanval op 21 augustus, vrijwel zeker het werk van president Assads regime. En het betekende een doorbraak van twee jaar diplomatieke verlamming over Syrië. Maar regeringen die hun ambassadeurs bij de OPCW in Den Haag dezer dagen polsen hoe het nu verder gaat, krijgen te horen: dat weten we niet.