Eensgezindheid tussen Rusland en de VS is van cruciaal belang...

De OPCW is een product van zijn tijd. De twee supermachten uit de Koude Oorlog wilden na de val van de Muur (1989) af van hun enorme arsenalen chemische wapens en grondstoffen. Intussen hebben 189 landen het chemische wapenverdrag getekend; Somalië is de laatste nieuwkomer.

Zes landen hebben niet getekend: Angola, Noord-Korea, Birma, Zuid-Soedan, Egypte en – tot vorige maand – Syrië. De laatste twee motiveerden hun weigering met het argument dat buurland Israël over zenuwgas beschikt. Israël heeft het verdrag wel getekend, maar niet geratificeerd. Aan een verdrag werd al sinds 1972 gewerkt. En sinds 1984, toen bleek dat Irak in de oorlog tegen Iran gifgas had gebruikt, legden veel landen de export van gevoelige chemicaliën naar conflictgebieden aan banden. Eén zo’n stof is thiodiglycol, een onschuldig ingrediënt voor textielverf en ballpointinkt én een ‘voorloper’ voor mosterdgas. Het chemische wapenverdrag heeft daarom een militaire en een civiele component. Landen die het tekenen moeten inspecties van hun chemische industrie toelaten.

De OPCW heeft ruim tweehonderd inspecteurs, die juist de laatste tijd wereldwijd veel van dat civiele werk deden. Dat moet doorgaan, maar in Syrië zijn er vele tientallen nodig. Omdat inspecteurs na zeven jaar uit dienst moeten, is veel militaire expertise verdwenen. Dat is nog een reden dat de Syrische operatie ongelegen komt. Er moeten extra inspecteurs komen.