Een krijgsmacht met opgeblazen ambities is niet in ons belang

Bezuinigingen op Defensie leiden tot veel gekrakeel. Maar Nederland heeft zo’n alomvattende krijgsmacht helemaal niet nodig, stelt Stephan de Vries.

Nu Defensie weer moet bezuinigingen, 348 miljoen euro, roeren de tegenstanders van die kortingen zich. Niet geheel ten onrechte: onze krijgsmacht heeft de afgelopen decennia al flink moeten inkrimpen. Of dat onevenredig veel is geweest, is echter geen vaststaand gegeven, maar afhankelijk van de ambities die men heeft met de krijgsmacht.

Die ambities zijn na de Koude Oorlog verschoven richting een dynamische krijgsmacht. Ter lucht, ter land en over zee moeten onze troepen altijd en overal kunnen worden ingezet. Die ambitie is volgens velen gerechtvaardigd, omdat Nederland als zeventiende economie en zevende exportland van de wereld sterk afhankelijk is van een stabiele wereld waarin zonder grote obstakels handel wordt gedreven.

Die visie klinkt heel redelijk – en sommige aspecten zijn dat ook zeker. Een land waarvan de welvaart zo afhankelijk is van internationale stabiliteit, moet voorkomen een free rider te worden. Veel analisten, niet zelden met een verborgen agenda, pleiten daarom voor een einde aan de bezuinigingen op de krijgsmacht. Er zou juist geld bij moeten.

Het probleem is echter dat vitale belangen door deze insteek al snel tot in het oneindige worden opgerekt. Wie dat doet, loopt het risico alle problemen door een militaire bril te gaan bekijken. Helemaal als men ook nog eens beschikt over een grote(re) stok om mee te slaan. Ieder intern conflict met een mogelijke destabiliserende werking, iedere bedreiging voor onbelemmerde wereldhandel, iedere humanitaire wantoestand en niet te vergeten wereldwijde terreurbestrijding; ze kunnen worden opgelost door er onze krijgsmacht op af te sturen.

Verzuimen we regelmatig een bijdrage te leveren, dan komt dat ons duur te staan. Niet alleen omdat de wereld een onveiligere plaats aan het worden is, maar ook omdat we dan niet meer meedoen op het wereldtoneel. Zo heeft het niet verlengen van de missie in Uruzgan ons volgens geschiedkundige Rob de Wijk onze zetel in de G20 gekost. Ook het afdwingen van dergelijke posities is blijkbaar een hoofdtaak van onze krijgsmacht geworden.

Nederland heeft onder andere vanuit dat oogpunt relatief grote bijdragen geleverd aan de expeditionaire missies in Irak (SFIR, 1350 militairen, 2003), maar vooral in Afghanistan (ISAF, ruim 1600 militairen, tussen 2005 en 2010). Beide missies volgden op een inval van de Amerikanen en hadden respectievelijk tot doel het regime van Saddam Hoessein in Irak omver te werpen en de Taliban te verdrijven na de aanslagen van 9/11. De landen moesten daarnaast worden getransformeerd in stabiele, bij voorkeur democratische oorden.

Door het stellen van dergelijke opgeblazen en veelal vage doelen veranderde vooral Uruzgan voor de Nederlandse militairen in een moeilijk uitvoerbare, gecombineerde gevecht- en wederopbouwmissie. De aanwezigheid daar sloeg grote gaten in de defensiebegroting, waardoor er zelfs geen budget meer was voor reserveonderdelen, munitie en persoonlijke uitrusting voor militairen.

Reden temeer voor de voorstanders van dergelijk optreden om te pleiten voor een hoger defensiebudget. Zeker nu ingrijpen in de chaotische Arabische regio, de Europese periferie, slechts een kwestie van tijd lijkt te zijn. Gaan de Amerikanen alsnog over tot een aanval in Syrië, dan moet Nederland, wil het niet nog meer aan internationale invloed inleveren, immers op een mogelijk verzoek reageren.

Bovendien zijn het veiligstellen van de toegang tot de fossiele brandstoffen waaraan de regio rijk is en het indammen van terrorisme directe nationale belangen. Nederland kan niet aan de zijlijn blijven staan, ook wij moeten in zulke gevallen ‘iets’ doen.

Of het leveren van dure bijdragen aan – vooral langdurige – expeditionaire operaties daadwerkelijk in het belang is van Nederland of Europa, is echter de vraag. Wie naar Irak en Afghanistan kijkt, kan moeilijk beweren dat die landen zijn opgeknapt van een decennium westerse militaire aanwezigheid. Irak is veranderd in een hopeloos chaotisch land, waarin maandelijks honderden doden vallen bij aanslagen en sektarisch geweld. De Taliban is taai en veerkrachtig gebleken en opereert in grote delen van het land als een schaduwregering. Beide landen zijn nog altijd vruchtbare voedingsbodems voor terrorisme.

Uiteindelijk kan men zelfs stellen dat de inzet van onze militairen in zowel Irak als Afghanistan meer instabiliteit heeft opgeleverd en Nederland en Europa per saldo onveiliger heeft gemaakt. De snelle terugtrekking uit beide landen doet bovendien de vraag rijzen in hoeverre er achteraf daadwerkelijk kan worden gesproken van vitale belangen die op het spel stonden.

Dit laat nog onverlet dat de steun voor dergelijke ‘avonturen’ onder de bevolking vaak ver te zoeken is. In 2005 steunde slechts 30 procent van de bevolking de missie in Uruzgan, zo bleek uit peilingen. Dat liep vervolgens iets op, m aar het draagvlak slonk weer snel nadat Nederlandse militairen sneuvelden. Het is echter verbazingwekkend hoe snel politici en beleidsmakers de mening van de Nederlandse burger in dit soort kwesties overboord gooien.

Analisten maken wat dat betreft graag onderscheid tussen high en low politics. Van high politics, waarbij het gaat om de nationale en internationale veiligheid van een land, zou het electoraat per definitie weinig kaas hebben gegeten. De gewone man kan de complexiteit van bijvoorbeeld het nut van expeditionaire missies niet overzien. Politici moeten daarom hun oren niet teveel laten hangen naar de algemene opinie. Merkwaardig genoeg blijkt men, als het gaat om internationale veiligheidspolitiek, opeens weinig moeite te hebben met een paternalistische overheid die bepaalt wat het beste voor de burger is.

Dit alles roept vraagtekens op bij nut en noodzaak van een grote(re) krijgsmacht die altijd en overal intensieve en langdurige expeditionaire taken kan uitvoeren. De missies die Nederland het afgelopen decennium voor zijn rekening heeft genomen, hebben nauwelijks bijgedragen aan het beschermen van vitale belangen, hebben ons land mogelijk zelfs onveiliger gemaakt en genoten nauwelijks steun van de bevolking. We moeten erkennen dat ook de internationale context zeer beperkt maakbaar is. Daartoe dienen we af te rekenen met overmoedige en opgeblazen ambities voor onze krijgsmacht.

Dat betekent niet dat Nederland onevenredig veel moet bezuinigen op Defensie of niet moet investeren in een robuuste krijgsmacht. Daarbij moet echter wel veel meer dan nu kritisch worden gekeken naar wat daadwerkelijk vitale belangen zijn. Het beschermen van het eigen grondgebied en dat van EU-lidstaten en NAVO-bondgenoten, en de zorg voor onbelemmerde handelsroutes vallen daar zeker onder. Een bijdrage aan internationale missies moet ook mogelijk blijven, al moet bij inzet kritischer op eigen gronden worden gekozen en zal de duur beperkt zijn. Afrekenen met de mythe van intensieve, langdurige expeditionaire missies is niet ambitieloos, maar juist in het belang van Nederland.

    • Stephan de Vries