De OPCW kan maar beter geen al te onafhankelijke koers varen

De OPCW heeft eerder moeilijke tijden gekend. Eén daarvan was het door de Verenigde Staten afgedwongen vertrek, in 2002, van de eerste directeur-generaal, de Braziliaan José Bustani. Die episode wordt nog steeds „traumatisch” genoemd.

Dat Bustani als manager slecht functioneerde – het formele argument – staat vast. Maar erdoorheen speelden politieke motieven. Westerse landen kregen argwaan over de koers die Bustani met de OPCW leek te varen: minder gericht op ontwapening en non-proliferatie, en meer op het helpen van Derde Wereldlanden met het opzetten van hun chemische industrie. De controles die daarbij hoorden beschouwden die landen als westerse bemoeizucht.

Het kamp-Bustani zag vooral een Amerikaans complot; zijn pogingen, om Saddams Irak te laten toetreden tot het chemische-wapensverdrag werden hem fataal; OPCW-inspecteurs zouden in dat geval het veronderstelde gifgasarsenaal van Irak hebben kunnen onderzoeken. Maar Amerika bereidde in 2002 zijn aanval op Irak voor, met als motief dat het nog steeds over massavernietigingswapens beschikte. Met inspecteurs ter plekke zou een aanval flink ingewikkelder zijn geworden.

Hoewel Bustani’s opvolger, de Argentijnse beroepsdiplomaat Rogelio Pfirter, rust en degelijk bestuur terugbracht, flakkert de verdeeldheid over doel en het functioneren van de organisatie periodiek op. Iran, binnen de OPCW een grote speler en per definitie antagonist van de VS, heeft zich herhaaldelijk tot het uiterste verzet om civiele inspecties te moeten toelaten. Maar om vijf voor twaalf in de onderhandelingen blijken ook de lastigste landen constructief.

Pikant detail: terwijl Iran en de VS officieel al dertig jaar niet met elkaar spreken, gebeurt dat wel binnen de OPCW. Niet alleen aan de grote onderhandelingstafel, maar ook à deux. En niet alleen over chemische wapens.